|

Een
meer met een oppervlak van
1000 vierkantenkilometer

Tussen
de eilandjes kijk je
tot aan de einder van het meer,
zo'n 80 km verder op

Het
aantal zoetwater krokodillen
in het meer wordt
geschat op 25.000 exemplaren

Bergtoppen
die nog net boven
het water uitsteken
na een gigantische zondvloed

Aan
de hand van de kaart
vertelde hij ons dat we
minder dan een tiende deel van Lake
Argyle hadden gezien

De Ord
Rivier is op dit punt breed,
ondiep, ligt vol stenen

De Great
Northern Highway
richting Wyndham

De ideale
stek met erg
veel schaduw onder de bomen ...

... en
tegenover ons een boom
met een weelde aan bloemen

Wat een
grandioos uitzicht had
je vandaar af, maar ...

... zelfs
van boven af gezien
was het heel moeilijk ...

... om
de loop van
de vijf verschillende rivieren
te onderscheiden

Wij
reden van Wyndham, met
een tussenstop in Turkey Creek,
naar Purnululu National park
De
blauwe stippellijn onderaan
de routekaart geeft aan hoe
Mirjam en Coen daar naartoe
kwamen vanuit
Alice Springs

Op nog geen 600 meter van
de benzine pompen kroop het vuur
tergend langzaam omhoog

De
Spring Creek Track volgt 53 km lang
een moeilijk begaanbaar pad...

...
maar wel door een wisselend, ruig en ...

... ongerept mooi landschap

Bij
deze gigantisch
hoge domes voel je je klein

de Cathedral, een immens
door de natuur gevormd gewelf

De
Dome Trail volgt de smalle
kronkelpaadjes
tussen
de hoog optorende domes

Vertrek
Mirjam en Coen uit Alice Springs
over
de Tanami Road,
tot Halls Creek
nog 1032 km

Overnachten
bij Tilmouth Roadhouse

De
Tanami Road
was soms
behoorlijk slecht

Rabbit
Flat. De enige plek in een straal
van honderden kilometers waar
benzine en drankjes te verkrijgen zijn

Overnachten
op een landingsbaan,
een airstrip waarschijnlijk
voor aan- en afvoer t.b.v de mijnen
|
The
land of the Aborigines, deel 4
Het
grootste meer van Australië
Lake Argyle is het grootste kunstmatige zoetwatermeer van
Australië en beslaat een oppervlak van onder normale
omstandigheden 1000 vierkante kilometer, een en ander afhankelijk
van de regenval, dat is qua oppervlak in vierkante kilometers
ongeveer gelijk aan het wateroppervlak van de haven van Sydney,
alleen Lake Argyle herbergt ongeveer 45 keer meer water.
Het meer werd gevormd door de afdamming van de 350 km lange
Ord River met een dam van 335 meter lengte en een hoogte van
98 meter. De dam kan een watermassa tegenhouden van maximaal
10.763.000 megaliters. De gemiddelde waterinhoud is slechts
5,797,000 megaliters groot (ter verduidelijking 1 megaliter
is een miljoen liter). De dam werd in 1972 voltooid en in
gebruik genomen.
In een bergketen aan de westkant van het meer en vlak bij
de dam zijn grote delen van de rotsen opgeblazen zodat er
een overloop is ontstaan die voorkomt dat de dam bij een te
grote wateraanvoer zou kunnen bezwijken. In het meer leven
ongeveer 26 inheemse vissoorten. Het aantal zoetwater krokodillen
in het meer wordt geschat op 25.000 exemplaren.
We moesten die maandagmorgen om 9 uur klaar staan voor de
bus die ons naar de boot zou brengen. De afstand tot de aanlegsteiger
van de boot stelt in kilometers niks voor. Met het busje klommen
we een behoorlijk stuk omhoog door ongerept bergachtig terrein.
In het begin stonden er nog wat verwaarloosde loodsen en kantoortjes
langs de weg, veelal van mislukte bedrijfjes, en als ze nog
niet mislukt waren dan leden de ondernemingen een armoedig
bestaan. Toen we op het hoogste punt waren aangekomen konden
we een eerste blik werpen op het meer. Halverwege die afdaling
zagen we rechts van ons de ruige bedding van de Ord River
stroomafwaarts van de dam. Heel ver onder ons zagen we het
resultaat van een rivier die getemd is door mensen, ontdaan
van zijn kracht stroomt zij gelaten tussen hoge rotswanden
in de richting van de zee.
Een surrealistische ervaring
Het gezelschap dat aan boord stapte, kwam overal vandaan,
en niet alleen uit verschillende staten van Australië
maar ook van ver daar buiten. We werden met koffie en koekjes
aan boord verwelkomd. De schipper en tevens onze gids ontpopte
zich als een gezellige verteller en wilde graag zijn kennis
over Lake Argyle, haar ontstaansgeschiedenis en haar dierenwereld
met ons delen. We voeren weg vlak langs steile donkerrode
wanden, hier en daar met een schamel groen boompje of toefje
groen gedecoreerd, die hoog opreizen uit het water van het
meer. Toen we dichterbij kwamen bleken er rock kangaroe's
tegen de steile hellingen te leven.
Terwijl pelikanen neerstreken als watervliegtuigen op dit
gigantische meer voeren we langs krokodillen die lagen te
zonnen op strandjes met afgebrokkelde rotsblokken, steenslag
en wat schamel gras. Deze prehistorische dieren lagen daar
bewegingloos, sommigen met hun bek wijd open, bewegingloos
als grote opblaasbeesten. Maar als je goed blijft opletten
dan zag je er soms wel even een bewegen. Aan een nat spoor
op de stenen konden we zien dat een enkeling zojuist nog uit
het water de wal op was gekropen. Hoger tegen de wallenkant
begraven deze zoetwater krokodillen, als de tijd daar rijp
voor is, hun eieren om ze daar door de zon te laten uitbroeden.
We namen afscheid van de krokodillen en voeren in de richting
van enkele eilandjes die nog juist boven de waterspiegel uitstaken.
In de dode bomen die daar omheen uit het water omhoogsteken,
hing een wirwar van draden. Ze bleken gesponnen door een spinnensoort
die alleen hier leeft. De bijzonderheid van de draden is dat
ze onverwoestbaar sterk zouden zijn. Zo sterk, vertelde onze
schipper, dat de mensen van NASA hier waren komen kijken om
uit te vinden of men deze draden kunstmatig zou kunnen namaken.
Het was werkelijk een surrealistische ervaring om over dit
meer te varen. Het ijle zonlicht droeg daar zeker aan bij.
De oevers zijn duidelijk nog veel te kort in tijd de grens
van het water om oever te mogen heten. De eilanden zijn daardoor
meer bergtoppen die nog net boven het water uitsteken na een
gigantische zondvloed. Dat alles droeg aan deze totale vervreemding
bij. Op sommige plaatsen konden we tussen die eilandjes doorkijken
tot aan de einder van het meer, zo'n 80 km verder op.
We maakten nog een stop voor een kunstje dat tot het repertoire
van de schipper behoorde. Iedereen werd gevraagd een stukje
oud brood op zo'n 50 à 60 cm boven het water te houden.
Op het zelfde moment ontstond er tumult onder water en direct
daarop sprongen er ettelijke tientallen vissen omhoog uit
het water om het brood uit de handen van de mensen te grissen.
De belangrijkste vis die zich hier liet zien was de catfish.
Maar ook de baramundi komt hier voor, deze soort werd
hier zelfs gekweekt maar door een of andere wending van het
lot werd dat een enorme mislukking. De vis was onverkoopbaar
op de markten, omdat het vlees niet wit was zoals de consument
gewend was, maar donkerder van kleur. De verlaten loodsen
van de viskwekerij langs de weg vlakbij onze campsite
getuigden er nog van.
Aan het einde van deze rondvaart stopte de schipper de motor
en klapte, al drijvend midden op de plas, een bord met een
kaart van Lake Argyle en zijn omgeving uit het plafond. Aan
de hand van deze kaart vertelde hij ons dat we minder dan
een-tiende deel van Lake Argyle hadden gezien, Hij vertelde
veel details over het meer, over de geschiedenis van de veeboeren
die hier leefden, en waarom ooit het plan werd bedacht om
de rivier de Ord af te dammen. Hij vertelde dat de homestead
waar de eerste plannen waren gemaakt was afgebroken voordat
die onder water kwam te staan. De homestead is nu herbouwd
in zijn oorspronkelijke staat en doet als museum dienst.
Hij zei dat we op de plek dreven waar de dam oorspronkelijk
was gepland. Het leek ons een logische keuze gezien de nauwte
van de doorgang, maar de schipper liet ons zien dat de rotsen
instabiel waren door hun opbouw en structuur. Het fijne begrepen
we er niet van, maar we konden ons er wel wat bij voorstellen.
We bedankten de schipper voor zijn uitleg en werden teruggebracht
naar de campsite. Na de lunch kochten we in het restaurant
dat ook als receptie van de campsite dienst doet, een
exclusieve steen om mee te nemen voor onze oudste dochter
Yvette. De steen is gedolven uit een berg die nu helemaal
onder water ligt. De tekening van de steen was eerder grafisch
dan natuurlijk, hij was zwart wit gestreept als een zebra.

Het gebied van de vijf rivieren
Op 5 juli reden we terug uit de bergen naar de vlakte. We
staken bij de brug de Ord River over. De rivier is op dit
punt breed, ondiep, ligt vol stenen, zit vol stroomversnellingen
en heeft duidelijk haar vitaliteit weer terug. Van hier gingen
we richting de Victoria Highway om in Kununurra onze voorraden
aan te kunnen vullen en reden daarna verder naar onze bestemming
Wyndham.
Aangekomen bij het einde van de Victoria Highway sloegen we
af naar het noorden en vervolgden onze weg over de Great Northern
Highway. We reden door het gebied waar de vijf grootste rivieren
van het noorden bij elkaar komen om bij Wyndham via de Cambridge
Gulf in zee te stromen.
We kwamen niet al te laat in Wyndham aan. Op de wegenkaart
stond aangegeven dat men bij het pompstation over alle info
beschikte die je voor dit gebied nodig had. De campsite
was daarna snel gevonden, maar Dave was er niet. Dave is de
beheerder. Hij had op een groot mededelingenbord aangegeven
dat nieuwkomers zelf maar en plaatsje moesten uitzoeken, hij
was met enkele gasten van de campsite de zee op om
te vissen, en zou rond een uur of vijf in de middag pas terug
zijn.
Nadat we even hadden rondgekeken hadden we de ideale stek
gevonden met erg veel schaduw onder de bomen aan de rand van
de campsite, vlak langs een drooggevallen moeras of
rivierbedding. En tegenover ons een boom met een weelde aan
bloemen.
Fish and Chips, kon het nog Engelser
Op de campsite stond een prachtige oude, hele dikke
baobabboom. We kwamen met een oudere man, die op deze campsite
permanent woonde in een caravan, in gesprek. Hij vertelde
ons dat deze oude baobabs meestal van binnen hol zijn en dat
ze in het begin van de Engelse overheersing vaak gebruikt
werden als gevangenis om Aboriginals in op te sluiten als
ze in de ogen van de Engelse kolonisators moeilijkheden maakten.
Hij vertelde o.a. ook dat het binnenin zo'n holle baobab altijd
heerlijk koel is en dat de Aboriginals de vruchten eten omdat
die zeer eiwitrijk zijn. Hij maakte een kleine vrucht voor
ons open en liet ons proeven. Niet vies, maar ook niet lekker,
eigenlijk helemaal geen smaak.
Toen Dave eindelijk terug was en wij ons wilden inschrijven
had hij geen tijd. "Komt straks of morgen wel",
zei hij. Het bleek dat hij naast de campsite ook nog
een soort snackkraam op het terrein uitbaatte. Hij moest opschieten,
vertelde hij, want zo direct kwamen al zijn gasten om eten
te halen. Als we zin hadden in "Fish and Chips"
of iets anders dan konden we dat met een uurtje bestellen.
Terwijl Dave druk bezig was in zijn snackkraam om gasflessen
aan te sluiten, de patataardappels te snijden en een meelsausje
maakte om de vis in te dopen, werd er op het middenterrein
van de campsite een gigantisch kampvuur ontstoken.
Wij genoten mee van het vuur op wat grotere afstand, en van
de geanimeerde gesprekken van de vaste bewoners die daar omheen
stonden.
Ik had intussen een fles opengetrokken en we genoten van een
paar heerlijke glazen rode Australische wijn. Zo'n glas wijn
was zowat het enige wat ons nog aan de luxe van de beschaafde
wereld herinnerde.
Het was al flink donker toen er nog wat verlate campinggasten
binnen kwamen vallen. En zoals gebruikelijk werd net zolang
met de caravan of de camper op en neer gereden tot de boel
waterpas stond want anders kan er niet gekookt worden door
dat soort mensen. Ons fornuis zetten we meestal recht door
er een leeg bierblikje onder te schuiven en dan stond het
voor ons gevoel recht genoeg om te kunnen koken. En dan moest
bij de laatkomers natuurlijk eerst nog de schotelantenne worden
geïnstalleerd. Ja, er zijn ook hier mensen die niet zonder
kunnen. Wij gelukkig wel, wij hielden het sinds onze aankomst
zelfs al uit zonder radio en krant. Zo heerlijk relaxt was
dat.
We kregen zo langzamerhand wel trek, dus liep ik naar Dave's
Snackkraam en bestelde daar twee porties Fish and Chips. Dat
kon, maar ik kreeg maar één portie, want dat
was voor twee mensen meer dan genoeg, besliste Dave. En, zei
hij, het was geen Fish and Chips, maar Baramundi and
Chips en dat is echt vele malen lekkerder. Het werd aan de
kraam steeds drukker en ik moest wachten want er waren mensen
die al besteld hadden en die gingen voor.
Twee grote stukken Baramundi werden door Dave door
het meelsausje gehaald, onder in een frituurmandje gelegd
en daarbovenop de voorgebakken frites, en dat ging dan in
de hete frituurolie. Intussen legde Dave een hele krant op
de toonbank, daarover een groot stuk vetvrij papier. Hij pakte,
nadat de vis en de patat goudbruin gebakken waren, het mandje
uit het frituurolie en keerde het resoluut om op het klaargelegde
vetvrije papier en vouwde dit vakkundig dicht en wenste ons
smakelijk eten. Terug bij de camper opende ik het pakket en
we vielen er op aan als hongerige wolven. Zo uit het papier
smaakte Fish and Chips toch het lekkerst, en lekker was het.
Dave had gelijk, een portie was meer dan voldoende.
We genoten van de mooie avond en hoorden in de verte geluiden
van jongeren die liedjes aan het zingen waren. Waarschijnlijk
was er verderop een jeugd- of een Wilderness Adventure
kamp.
Even later zagen we hoog tegen de lucht lichtjes, toen we
goed keken bleek het tegen de helling te zijn waar bovenop
de Five River Lookout moest liggen. De lichtjes bewogen
van hoog naar laag, en werden steeds groter. Het waren duidelijk
geen auto's of mensen met zaklantaarns die beneden kwamen,
daar was de afstand te groot voor en, bovendien, de lichtjes
rolden langzaam bijna loodrecht naar omlaag. Toen we naar
bed gingen hadden we pas door dat de lichtjes kleine brandhaarden
moesten zijn omdat ze steeds doofden en dan weer opflikkerden.
Van bovenaf gezien
Onder het ontbijt realiseerden we ons dat vandaag onze pas
getrouwde dochter Mirjam met haar man Coen zouden landen in
het hartje van dit immense continent. Die twee waren van plan
om in Alice Springs een splinternieuwe luxe 4WD Nissan X-Trail
te huren. Samen gaan ze vanaf daar via de Tanami Road dwars
door de woestijn jakkeren en via Hall Creek, in totaal 1224
km, om ons op 8 juli te kunnen ontmoeten in het hartje van
Purnululu National Park, ook wel de Bungle Bungle Range genoemd.
Vandaar af zullen wij met hen samen door The Kimberley verder
trekken. We keken nu al uit naar hun komst, maar we maakten
ons enigszins zorgen of zij die afstand wel in zo'n korte
tijd en over zulke ruige tracks konden overbruggen?
Wij betaalden bij Dave wat we schuldig waren voor een nachtje
staan op zijn campsite en hij vertelde ons intussen
honderd uit over de cycloon die een paar maanden geleden Wyndham
had getroffen. Hij liet ons foto's zien van bomen die doorbogen
tot aan de grond, en van de campsite die in zijn geheel
anderhalve meter onder water stond. Het leven is hier hard
buiten het seizoen, zei hij.
We namen vriendschappelijk afscheid van deze man die in een
seizoen van maximaal drie maanden zijn kostje bij elkaar moet
scharrelen, vandaar dat hij ging vissen met campinggasten,
een snackkraam runde en nog allerlei andere klusjes aannam.
Eerst zouden we nog even Wyndham verkennen tot aan de baai,
maar dan zie je pas hoe verlaten en dood dit stadje is. Veel
oude vervallen huizen, de meesten zelfs onbewoond. Een hotel
dat een marginaal bestaan schijnt te leiden, gezien de haveloze
staat waarin het verkeert. Er is nog wel wat havenactiviteit,
maar daarbij is Delfzijl een behoorlijke grote wereldhaven.
Vroeger was Wyndham wel een welvarend en bedrijvig stadje
met o.a. een heel groot slachthuis. Het slachtafval verdween
allemaal in de baai en dat zorgde voor een welvarende krokodillengemeenschap.
De veeboeren die land bezaten op de plek waar nu Lake Argyle
ligt brachten hun vee hier in Wyndham naar het slachthuis.
Het vee werd voornamelijk geslacht voor het leger, maar toen
enerzijds de aanvoer van vee staakte door de aanleg van het
meer en anderzijds het vervoer van het vlees voor het leger
over heel grote afstanden te duur werd, was dat ook meteen
het einde van deze bloederige industrie.
We besloten naar de Five River Lookout te rijden. Maar
we moesten even onze weg naar boven vinden die dwars door
een Aboriginals buurtschap liep en die ook nog eens slecht
was aangegeven.
Aan het begin van de steile klim schakelde Rieky meteen naar
een lagere versnelling. Halverwege kwamen we terecht tussen
de rook van de smeulende begroeiing en flarden van de brand
die we gisterenavond hadden gezien.
Rieky vond het maar eng en bovendien was ze bang dat onze
camper de helling naar boven niet tot de top aan zou kunnen.
Maar dat viel allemaal erg mee vonden we toen we, dwars door
de brand, eindelijk helemaal boven hadden geparkeerd en op
het uitkijkplatform stonden.
Wat een grandioos uitzicht had je vandaar af, maar zelfs van
boven af gezien was het heel moeilijk om de loop van de vijf
verschillende rivieren te onderscheiden; wat we wel echt zagen
was de imposante zeearm, de Cambrige Gulf, en de uitgestrekte
wetlands die aan de randen wit waren gekleurd van het
door de zon opgedroogde zout. Aan de ander kant keek je ver
The Kimberley in met zijn imposante tafelbergachtige bergketens.
Vlammen, rook en meer ongemakken
Het was tijd om verder te gaan. We daalden voorzichtig af
en in elk van de vele haarspeldbochten kregen we keer op keer
een andere prachtige kijk op de omgeving. Toen we naar boven
gingen hadden we daar geen oog voor gehad vanwege de rook
en de nog steeds smeulende brand. Bovendien moesten we ons
toen goed concentreren op de weg en opletten dat er geen tegenliggers
naar beneden kwamen.
Terug op de Great Northern Highway wilden we flink doorrijden
want we hadden nog zo'n 230 à 320 km te gaan, afhankelijk
van, of we meteen door zouden rijden naar Purnululu National
Park of eerder zouden stoppen.
Na ongeveer 100 km maakten we een stop om te tanken, iets
te drinken en te eten bij het Doon Doon Roadhouse. Dit roadhouse
is een heel modern en nieuw service station met een campsite,
een restaurant en een winkel, in the middle of nowhere,
gerund door een stel Nederlandse emigranten, zoals ons later
na een gesprek zou blijken. Dit servicestation is eigendom
van de Aboriginal gemeenschappen die hier in de omgeving wonen.
Deze Nederlands-Australische familie vertelde ons dat zij
waren aangesteld om het hele complex te managen, en dat ze
best tevreden waren over hun bazen. De koffie was hier ouderwets
goed. De zaak zag er schoon en verzorgd uit. De broodjes smaakten
ons uitstekend, en het was wel weer een keertje leuk om met
Nederlanders in den vreemde te spreken.
Daarna vervolgden we onze weg die door het prachtige glooiende
en roodgroene landschap van The Kimberley meanderde. Op een
paar plaatsen langs de weg waren er gecontroleerde branden
aangestoken met hoog oplaaiende vlammen. Branden die soms
ook een enorme rookontwikkeling veroorzaakten en het landschap
geblakerd achter lieten.
Er waren op deze highway niet overal bruggen over de
talrijke rivieren, beekjes en kreekjes. En bij elke rivier,
of er nu wel of geen brug was, werd al 500 meter tevoren aangegeven
dat de highway zou versmallen tot een rijbaan. Indien
er tegenliggers waren mocht men om beurten oprijden en men
moest ter plaatse zijn snelheid terugbrengen tot maximaal
60 km per uur.
Deze highway was over het algemeen in goede conditie,
alleen de belijning ontbrak op veel plaatsen, soms kilometers
lang. Toch knalde ook op deze weg voor de zoveelste keer de
linkerkoplamp van onze camper spontaan uit de lampkast. Hij
bleef gelukkig bungelen aan de bedrading, maar we moesten
wel stoppen. In armoede hebben we toen de lamp maar provisorisch
terug op haar plaats geduwd en ingetapet met stevig, maar
te smal plakband. Maar een definitieve oplossing was dit niet.
Repareren was geen optie want, of men had geen onderdelen
of er was geen reparatiewerkplaats aanwezig in deze uithoek.
Op deze weg begon ook de ellende met de rechterachteruitkijkspiegel
die bij elke oneffenheid in de weg zichzelf vele centimeters
verdraaide zodat mijn lieve chauffeur Rieky niet meer kon
zien wat er achter haar op de weg gebeurde. Afstellen was
onmogelijk geworden omdat de bevestigingsschroef lam gedraaid
bleek te zijn.
Bermtoeristme
Zo kwamen we aan op Turkey Creek Roadhouse, waar we moesten
concluderen dat het al te laat was om nog door te rijden naar
Purnululu National Park. Daar naar toe was het zeker nog 100
km en we wisten dat de laatste 53 km van de track naar
het park in buitengewoon slechte staat van onderhoud moest
zijn.
Voordat wij uit Nederland vertrokken had Robyn Adams, onze
gids en 4WD-chauffeur, waarmee we in 2004 door het Red Centre
hadden getrokken, ons per e-mail gewaarschuwd voor de ongewoon
slechte situatie van de 4WD-track die naar Purnululu
National Park leidt. Zij raadde ons ten sterkste af om op
eigen gelegenheid deze track op te gaan. Dit soort
tracks was voorbehouden aan zeer ervaren rijders, meende
zij. En Robin kon het weten.
We vroegen aan de mensen van het roadhouse of ze nog
een plaatsje hadden op de campsite, maar die bleek
hartstikke vol te staan.
Na wat gesoebat, want doorrijden was voor ons geen alternatief,
kregen we een plaatsje achter het prefab kantoortje van de
helikoptermaatschappij die vluchten over het Purnululu National
Park en Lake Argyle aanbood.
Het kantoortje lag op het voorterrein van het servicestation,
maar we waren allang blij dat we daar onze camper mochten
neerzetten en stroom mochten aftappen. De mensen die Turkey
Creek Roadhouse runden vroegen ons wel om bier en wijn zo
onopvallend mogelijke te nuttigen, zodat de Aboriginals, die
vanuit de naburige communities af en aan reden om te tanken
of eten te kopen, daar geen aanstoot aan konden nemen. We
stonden daar immers nog al in de kijker.
En dat klopte, we voelden ons voor het eerst na meer dan veertig
jaar weer echte bermtoeristen. We zagen echt alles wat er
op dit servicestation en op de wegen er naar toe gebeurde.
Dat was voor deze keer best leuk, soms zelfs vermakelijk,
en het was bovendien maar voor een nachtje.
Even voor dat het donker werd zagen we dat de onderkant van
een hoge helling achter het servicestation in brand was gestoken.
Op nog geen 600 meter van de benzine pompen kroop het vuur
tergend langzaam omhoog.
Vlak bij het vuur stond een prachtig glimmende truck en 2
à 3 helikopters geparkeerd. Niemand keek er naar om
of begon aanstalten te maken om maatregelen te nemen. Zelfs
de mensen en bemanning van de helikoptervluchten stapten gewoon
in de auto om naar huis te rijden. Toen de avond viel stond
intussen de hele helling in de fik. Een bijzonder schouwspel
van zo dichtbij, vooral toen het donkerder werd.
Dit was pas echt een avontuur
We hadden besloten het er op te wagen ondanks de welgemeende
waarschuwing van Robin. Dus vertrokken we op 6 juli in de
richting Purnululu National Park. De eerst 50 km reden we
over de highway. Bij het bord "Purnululu National
Park 53 km (Bungle Bungle)" sloegen we af en stonden
we eindelijk voor het hek van de beruchte Spring Creek Track.
Aangezien het hek dicht was namen we aan dat we moesten wachten.
Waren we te vroeg? Of was de track gesloten?
Een paar minuten later kwamen er een paar Australiërs
met spiksplinternieuwe en glimmende 4WD's die gewoon het hek
openden en doorreden. Wij natuurlijk meteen achter hen aan.
Een paar honderd meter verder op was een informatie punt met
alles wat je hoorde te weten over de track: "alleen
voor 4WD's toegankelijk" en info over het nationale park.
Hier stond ook duidelijk aangegeven dat het hek gesloten moest
blijven in verband met loslopend vee en omdat het privé
terrein was.
De waarschuwing voor veel rotsen en rotsplaten in de bodem,
afgewisseld met los zand of stenen op de weg, potholes en
corrugation (wat wij wasbord noemen), smalle en nauwe doorgangen
tussen rotsen of tussen bomen door, steile hellingen zonder
enig zicht naar voren en even steile afdalingen gaven al aan
wat ons te wachten stond.
Waarschuwingen voor scherpe bochten waren hier echt overbodig
omdat er niet een enkel recht stuk weg in deze track
was te herkennen. Ook de ontelbare crossings dwars door rivieren
en kreken waren niet aangegeven en elke keer weer stonden
we onverwacht voor een diepe of minder diepe rivier waar we
doorheen moesten.
We ademden het wisselende, ruige en ongerepte landschap in,
waar we maar een enkele keer een spoor van menselijk handelen
zagen, met als enige uitzondering van de Spring Creek Track
zelf waar we overheen reden. Hoe moeilijk de track
ook was, we kwamen niet voor echt onoverkomelijke problemen
te staan.
Of toch wel, vroegen we ons af toen er ineens om een bocht
in de track een busje van een Wilderness Adventure
Tour organisatie midden op de weg stond? Toen ik uitstapte
zag ik pas dat het busje door iedereen verlaten was, zelfs
de chauffeur was in geen velden of wegen te zien. Ik kwam
tot de ontdekking dat de as onder het busje stond met maar
aan een kant een stel wielen eraan. Hier was duidelijk sprake
van een gebroken as.
Dit gaf maar weer eens aan hoe gevaarlijk dit weggetje was.
Maar hoe nu verder? Ik kwam tot de ontdekking dat we over
een tak waren heengereden die als signaal over de weg was
gelegd. Bij nadere bestudering zag ik dat er een provisorische
omleiding was gekapt door de bush aan de rechterkant van de
track. Ik dirigeerde Rieky een flink stukje achteruit
op dit uiterst smalle stuk van de track. De tak over
de weg gaf inderdaad aan waar we omhoog konden via een steil
talud van ongeveer 50 cm hoog om op de omleiding te komen.
Ondanks dat de camper even flink scheef hing en heen en weer
schommelde lukte het Rieky wonderwel op de provisorische omleiding
te komen. Na ongeveer honderd meter konden we weer heel voorzichtig
naar beneden waggelen.
Terug op de track gekomen kostte het nog een uurtje
stuurmanskunst en goed opletten voor we aan het bord kwamen
waar het park begon. Vanaf hier was het nog een klein stukje
naar het Ranger Station and Visitors Centre. We parkeerden
onze camper daar en we meldden ons bij de receptie. We hadden
vier uur en een kwartier over de track gereden gerekend
vanaf het hek.
De ontvangst was hartelijk, we kregen veel informatie mee
en besloten om ons eerst voor twee nachten te settelen op
Walardi Campsite waar ranger Bob de scepter zwaaide. Deze
campsite lag vanaf de T-splitsing, vlakbij het Visitors
Centre, 10 km verder op in zuidelijke richting, maar de tracks
waren hier in goede conditie en perfect onderhouden. Onze
komst was al aangekondigd door Bob's vrouw die ons had ontvangen
aan de receptie. We zochten een bijzonder plekje uit met achter
ons de brede drooggevallen kiezelbedding van de Bellburn Creek
die verderop uitmondt in de Ord River. Daarachter lagen in
de zon de typische afgeronde zandsteenbergen te schitteren
waar Purnululu zijn faam aan te danken heeft. Die bergen zijn
opgebouwd uit lichte en donkere lagen. Vanuit de verte lijken
ze daardoor op vreemd gevormde koepels van spekkoek.
Ranger Bob kwam zich even voorstellen en een praatje maken.
Hij vroeg ons meteen wat er aan de hand was met onze koplamp
van onze camper. We vertelden hem het hele verhaal, en ook
dat ondanks het plakband de lamp er toch steeds uitvloog.
Hij beloofde ons, helemaal uit zichzelf, om te kijken of hij
beter, breder en sterker tape kon vinden om het euvel te verhelpen.
We zouden nog van hem horen. Hij was nieuwsgierig hoe lang
wij over de 53 km gereden hadden en hij vond onze tijd helemaal
niet slecht. Hij vertelde dat hij en zijn vrouw de track
minstens een keer in de week reden en omdat zij het hele traject
kenden deden zij er meestal 2 uur over.
De rust en de stilte voelde op deze bijzondere stek weldadig
aan. En rust konden we goed gebruiken na die vermoeiende rit.
We hadden niet erg veel campinggasten gezien toen we aankwamen,
maar toen het omstreeks zes uur donker werd zagen we toch
om ons heen zo'n tien lichtpuntjes. Kampvuren waren hier strikt
verboden en dat is begrijpelijk als je zo ver van de bewoonde
wereld af bent en een kostbaar natuurgebied in stand wilt
houden. Onze buren, twee Australische families met kinderen,
die heel laat aankwamen, probeerden toch een barbecue vuurtje
aan te maken, maar dat moest snel worden gedoofd toen ranger
Bob wat knorrig op de rook af kwam.
Het was nog geen 8 uur in de avond, maar het was zo donker
dat het leek of het al middernacht was tot het moment dat
de volle maan als een grote melkwitte spiegel tevoorschijn
kwam en het landschap begon te kleuren met haar melkwitte
stralen. Het hele gebied veranderde als bij toverslag en zag
er uit alsof alles onder een dun laagje sneeuw lag, maar dat
was schijn. En bovendien werd het nu snel frisser en te koud
om nog buiten te blijven zitten. De hoogste tijd om naar bed
te gaan want morgenochtend rond 6 uur zouden we wel weer gewekt
worden door de eerste zonnestralen.
Het monumentale sprookje van Purnululu
Vandaag hadden we gereserveerd om langs Elephant Rock en via
Cathedral Gorge het Amphitheatre te gaan bekijken en de Domes
Trail te gaan lopen. Vroeg op dus, want de ochtenden zijn
koel en op het midden van de dag is het meestal echt veel
te warm om grote stukken te lopen.
Vanaf onze campsite naar de Cathedral Gorge was het
16,5 km rijden dwars door dit sprookjesachtige landschap.
Een landschap dat steeds meer van zijn geheimen prijs gaf.
Het eerste landmark dat we passeerden in dit gebied dat gekleurd
werd door het dorre goudgeel van gedroogde grassen, het tere
groen in vaak schriele boompjes en het rood, het roze, het
wit en het geel van de bloeiende bloesems was Elephant Rock,
een rots die grillig omhoog steekt uit de aarde en waarin
de Japans rode wond overheerst in de overwegend roodgrijs
spits gebeeldhouwde verweerde huid.
Hoe verder we kwamen, hoe meer het landschap haar monumentale
karakter kreeg. We parkeerden de camper vlakbij de Domes Trail
en het trail naar Cathedral Gorge.
Vanaf hier liepen we door de gorge naar de Cathedral,
een immens door de natuur gevormd gewelf. De gorge
werd steeds smaller hoe dieper wij er in doordrongen. Langs
de trail die soms over de rechter en dan weer over de linker
oever verder ging zagen we reusachtige grote rotsblokken die
naar beneden waren gestort. Op sommige plaatsen vervolgde
de trail z'n weg door de nu droge bedding van de rivier. Je
kon hier zien hoe in het natte seizoen het snel en krachtig
stromende water van de rivier met veel geweld enorme potholes
had uitgesleten in de kalkstenen bodem. Potholes die zo diep
en groot waren dat je er gemakkelijk met een paar mensen in
kon verdwijnen.
Binnen onder het weidse gewelf van de Cathedral besef je pas
hoe klein je werkelijk bent. De menselijke maat lijkt hier
niet van toepassing. Je bent hier ten opzichte van de hoog
boven je uittorende en aaneengesloten koepelvormige rotsoverkapping
klein en nietig. Boven het gewelf torende een honderden meters
hoge en tientallen meters brede ronde schoorsteen uit tot
aan de blauwe hemel. Wat een majesteit. Ook hier toont de
natuur haar monumentale vermogen op een onnavolgbare manier.
Terug uit deze majestueuze gorge vervolgden we onze
wandeling via de Domes Trail. Deze trail voert tussen de reuze
koepelvormige rotsformaties door. We liepen over hele smalle
kronkelpaadjes tussen deze giganten tot we aan een open grot
kwamen waar het lekkende water zijn ragfijne en delicate spel
op had botgevierd en een prachtig patroon had geweven.
Zodra we uit deze doolhof van de Domes Trail kwamen was het
landschap weer open, er waren weer waterplasjes tussen de
grote rotsplaten die de bodem voor grote delen bedekken. De
meeste rotsplaten liggen aan het begin van de Piccaninny Gorge
Walk. Een wandeling die voor een groot gedeelte loopt over
geërodeerde bedding van de Piccaninny. Maar ondanks dat
deze wandeling zeer spectaculair moet zijn zien we af van
deze tocht, die minstens twee dagen in beslag neemt en die
veronderstelt dat je in de vrije natuur overnacht. Dat zat
niet in onze planning.
Vrijwilligers werk, en een hulpverlener
Toen we nog maar net terug waren van Cathedral Gorge op de
Walardi Campsite kregen we bezoek van een mede kampeerder,
een meneer uit Sydney. Hij had van Bob gehoord van onze problemen
met de koplamp en had Bob aangeboden om ons uit de nood te
helpen. Hij had een grote rol zilverkleurig breed isolatietape
bij zich en bood ons aan de lamp stevig af te plakken. Dankzij
deze aardige meneer was het probleem met de lamp voor de rest
van onze reis verholpen. Bedankt Bob, bedankt aardige meneer
uit Sydney.
Vanaf ons plaatsje aan de droge rivierbedding genoten we van
het prachtige uitzicht en een heerlijk rustige namiddag met
een boek. Nog één nachtje slapen en dan zouden
we hier in het park Mirjam en Coen ontmoeten. We hadden met
hen afgesproken dat ze ons op de Karrajong Campsite konden
vinden en zouden daarom de volgende ochtend verkassen.
Door de koude nachten staat mijn horloge, als ik het af doe
tenminste, regelmatig stil. De batterij is kennelijk aan het
eind van zijn Latijn. En als ik mij 's morgens was met het
koude water uit de kraan dan heb ik onmiddellijk dooie vingers.
Maar na het ontbijt liep mijn horloge weer en waren mijn vingers
weer normaal warm.
We reden nu eerst op ons gemak terug naar het Ranger Station
and Visitors Centre. Daar moest ik bellen met Apollo om toestemming
te vragen om over 2 à 3 dagen de Gibb River Road op
te gaan en de wegen die naar het noorden leiden. Een en ander
hing af van de gesteldheid van de wegen en de weersvooruitzichten.
Ik moest even aan de telefoon wachten, maar we kregen de toestemming
zonder enig probleem, dat was dus geregeld.
We zouden ook nog even kijken naar wat er bij de receptie
allemaal te koop was. We kochten voor Johan, Rieky's broer,
een T-shirts van Purnululu National Park met een afbeelding
van het schilderij er op dat in 1992 geschilderd werd door
de Aboriginal kunstenares Donna Brown. Voor mij zelf kocht
ik er ook zo een. En Rieky kocht nog wat kaarten om aan vrienden
te sturen met een groet.
We hadden een heel lang gesprek met de vrouw van Bob die ons
o.a. vertelde dat zij hier een betaalde baan had als receptioniste,
maar dat haar man als ranger vrijwilligerswerk deed. Zij wisselde
haar werk af met de vrouw van de ranger van de andere campsite.
We vertelden haar ook, dat wij hoopten, dat we vandaag onze
dochter Mirjam en onze schoonzoon Coen zouden ontmoeten. En
zij vertelde ons weer over hun dochter. Zij werkten hier voor
enkele maanden en dan gingen ze weer terug naar de andere
kant van dit continent. Het was van twee kanten een zeer geanimeerd
en interessant gesprek.
Halen ze het of halen ze het niet?
Vanaf het centrum reden we terug naar de T-splitsing en gingen
nu niet rechtsaf waar we vandaan kwamen, maar linksaf naar
de Karrajong Campsite die nog 5 km verder naar het noorden
lag. We zochten een leuk plekje waar we samen konden staan,
maar met voldoende ruimte om ons heen zodat we elkaar niet
zouden storen. We zagen er van af om nog iets te gaan ondernemen,
want we hadden geen idee hoe laat dat stel kon arriveren.
Het zou zeker niet vroeg worden, maar je wist het natuurlijk
maar nooit, en we wilden wel aanwezig zijn als het pasgetrouwde
paar zou aankomen.
We kozen dus voor een rustdag. We tekenden een welkomsttekst
op een stuk karton van een lege bierverpakking en hingen dat
op aan een waslijn tussen de camper en een boom. Hè,
lekker even tijd om te lezen en te luieren, maar we hadden
nu ook wat extra tijd om te zorgen dat we vanavond met z'n
vieren iets behoorlijks te eten hadden. Na 1224 km, voor het
grootste deel over stoffige tracks, zouden die twee
wel een stevige trek hebben.
Officieel gaat de receptie van het park om vier uur dicht.
Om kwart over vier in de middag kwamen ze de campsite
oprijden. Ze hadden dus nog net die aardige mevrouw aan de
receptie getroffen en Mirjam had gevraagd of haar ouders hier
al waren gearriveerd, want hoe dichter ze bij de parkingang
kwamen en de moeilijkheidsgraad van de Spring Creek Track
ervoeren waren Mirjam en Coen steeds meer gaan twijfelen of
"die twee oudjes" van 70 en 72 deze track
wel hadden bedwongen. Nou, de vrouw van Bob had ze gerust
kunnen stellen, en Mirjam had gezegd dat ze trots was op haar
moeder. Rieky was nu gekwalificeerd en volleerde off-road
driver.
We waren heel blij Mirjam en Coen te zien. En omgekeerd was
dat ook zo. Die twee waren uitgehongerd na die lange stoffige
rit en zij wilden eerst graag wat drinken. De één
koffie, de andere thee, allebei een boterham, en intussen
moesten wij vertellen over wat we allemaal al hadden gedaan
en meegemaakt. Zij zouden eerst hun tent opzetten en daarna
hadden zij tijd om te vertellen, en wij om te luisteren. Mirjam
en Coen popelden om los te branden over de tocht van Alice
Springs, dwars door de woestijn naar hier en dat met een splinternieuwe
auto. Al te nieuw zag die auto er niet meer uit en de achterruit,
de trots van Coen, was met een dikke laag rode aarde bedekt.
Dwars door de Tanami woestijn
Een samenvatting, en hoe hun huwelijksreis Down Under begon,
opgeschreven door Mirjam van Tiel
Na een vliegreis van 30 uur kwamen we rond de middag aan in
Alice Springs. We stonden van vermoeidheid te tollen op onze
benen. Het was niet alleen de reis die vermoeiend was geweest,
we hadden er beiden ons eerste jaar op zitten met een nieuwe
baan. Mirjam als directeur van het Centrum voor de Kunsten
in Waalwijk en Coen was een eigen bedrijf begonnen als consultant
aansluiting onderwijs arbeidsmarkt op het gebied van techniek.
Onze bruiloft op 9 juni was een geslaagde prachtige dag maar
de voorbereidingen hadden ons ook veel energie gekost. Nu
was het dan eindelijk vakantie.
Alice Springs deed ons denken aan stadjes in Zuidelijk Afrika,
heerlijk vinden we dat, de Outback sprak ons meteen aan. Op
het vliegveld stond een gloednieuwe Nissan X-Trail 4WD (2,5L
benzine Automaat) voor ons klaar. Verlekkerd keken we naar
de echte 4WD's, maar we hadden gekozen voor deze PC Hoofdtractor
omdat het aanzienlijk in de kosten scheelde. We vroegen ons
wel af of we met deze auto overal doorheen zouden komen.
We deden inkopen in het centrum van Alice Springs. We hadden
onze eigen uitrusting natuurlijk niet mee kunnen nemen en
moesten hier dus het broodnodige voor onze survival aanschaffen.
Naast campingstoelen en een cooker kochten we eten, drinken,
jerrycans voor benzine en water, een luchtpomp voor de banden
en een sleepkabel. We overnachtten op een camping in Alice
Springs.

Op 6 juli vertrokken we over de Tanami Track dwars door de
Tanami woestijn om uit te komen in Halls Creek vanwaar we
door zouden rijden naar Purnululu NP.
We reden langs de West MacDonnall Ranges en kampeerden bij
Tilmouth Roadhouse. We hadden pas 170 km gereden, maar dat
maakte we goed door de volgende dag 415 km te rijden. We genoten
van de weidsheid van het landschap en voelden ons er thuis.
Bij Rabbit Flat gooiden we de tank vol. De enige plek in een
straal van honderden kilometers waar benzine en drankjes te
verkrijgen zijn. Bruce Farrands, die met zijn Franse vrouw
hier in 1969 was neergestreken, kwam uit zijn huis. Hij pakte
zijn fiets en wees ons de twee pompen die midden op een open
veld stonden. We maakten een praatje en foto's en vervolgden
onze weg.
We reden het track dat soms behoorlijk slecht was, spinifex
(taaie bollen gras die kenmerkend zijn voor Australië)
stonden rechts en links van ons. We kwamen deze dag maar vier
auto's tegen.
Aan het eind van de dag zochten we een kampeerplekje maar
het was hier niet zo makkelijk als in Afrika om van het track
af te rijden. De woestijn is begroeid met lage stekelige struiken
die het haast onmogelijk maken om je eigen pad te kiezen.
Toen we een zandverstuiving zagen reden we daar dan ook meteen
op maar kwamen vast te zitten omdat de autobanden nog keihard
waren opgepompt. Met alle Afrika ervaring hadden we dit probleem
gelukkig zo weer opgelost. We schepten het zand weg en lieten
de auto rustig optrekken, het diepe zand weer uit. We vonden
de plek te dicht bij het track en reden nog een stuk door.
Het werd al snel donker, aardedonker. Vlak voor de grens met
Western Australia zagen we een zijtrack. We reden er in en
kwamen op een aarden landingsbaan, waarschijnlijk voor aan-
en afvoer voor de mijnen die hier in de buurt zijn.
Onder een prachtige sterrenhemel zetten we de tent neer en
aten een soepje voordat we gingen slapen. In de wijde omtrek
was er geen mens te bekennen. We horen ook geen wild, dat
was in Afrika wel anders.
Op 8 juli hadden we een afspraak met Ad en Rieky en we moesten
nog een flink stuk afleggen, gas op de plank dus. We hadden
nog nooit zo hard gereden over pistes. Het was dan ook niet
onze eigen auto waar we nog een heel continent mee moesten
doorkruisen.
Aan het eind van de Tanami Track kwamen we weer op asfalt
uit dat ons naar Halls Creek bracht, een klein stoffig stadje.
Daar deden we inkopen in een klein supermarktje en gooide
de tank weer vol. We reden naar de afslag die naar Purnululu
NP leidde, daar zouden we Ad en Rieky treffen. Een groot bord
gaf aan dat dit track alleen toegankelijk was voor 4WD's voertuigen.
We waren nog maar net op het track of de eerste rivier doemde
voor ons op. Wauw, een rivier met water erin, dat hadden we
in Afrika maar een enkele keer meegemaakt. Om de paar kilometer
kwam er een rivierdoorwading waarvan sommigen best diep met
steile oevers. Coen plakte de gril dicht met vuilniszakken,
bang dat er anders water in de motor zou komen.
Het was maar goed dat Rieky de 4WD cursus had gevolgd, want
dit was zeker niet voor beginners. We genoten van het off-roadrijden.
Nog even en dan zouden we aan de borrel zitten met Ad en Rieky,
aan de andere kant van de wereldbol. We hadden vanaf Alice
Springs 1224 km gereden in drie dagen, waarvan 1000 km off-road.
We besloten de avond met een goed glas wijn en nadat we onze
plannen voor de volgende dag hadden uitgestippeld gingen we
slapen.
Met
dank aan Rieky en Johan Hermsen voor het kritisch lezen van
de teksten, het aandragen van tekstsuggesties en het aanbrengen
van tekstcorrecties
Ad
van Tiel, Landsmeer,
7 juli 2007
Niets
uit bovenstaande tekst mag worden gepubliceerd zonder
voorafgaande
toestemming van de auteurs.
Het zelfde geldt voor alle afbeeldingen en foto's.
Rieky
& Ad van Tiel © 2007
|