|

Hoe
dichter we bij de rotswand
kwamen hoe massiever,
hoger en
ongenaakbaar deze leek

Hoe
verder we kwamen,
hoe smaller, hoger
en leger de kloof werd

De
laatste zonnestralen die nog
net de rode rotswand aan de
overzijde van de valei verlichtten
was spectaculair en vooral
met de maan hoog daarboven
in de staalblauwe lucht


Via
Spring Creek Track
van Purnululu terug
naar The Great Northern Highway

de
"gevreesde" weg

De
prachtige Chamberlain Gorge

Het
elektrische fluistermotortje
gaf al snel de geest
dus moesten we terugroeien
(Foto
M&C)

Drie
figuren,waarvan een
de afbeelding van Wandjina is ...
(Foto
M&C)

... veel
voorbeelden van
zogenaamde
Bradshaws,
of
zoals de Aboriginals
ze noemen: Gwion Gwion
(Detail
foto M&C)

Vermoeid
terug op onze stek,
werden er door Coen grote stapels
hout verzameld voor een
nog groter kampvuur dan gisteren

De Gibb
River Road voert ons
door het schitterende enzeer wisselende
landschap van The Kimberley

Mirjam
en Coen steken in hun
Nissan X-Trail Pentacost
River over

En
dan eindelijk de afslag richting
Kalumburu, nu
nog
59 km naar Drysdale River Station
(Foto M&C)

Het
echtpaar dat deze
superkleine
winkel runt. Van
hem hoorden
we dat Nederland geteisterd wordt
door een heatwave

Stofwolken, ondanks het
's nachts gevallen regenbuitje

Er is geen brug
over de King Edward River, ...

... dus dan maar er doorheen

Een plekje
om te lunchen
(Foto M&C)
|
The
land of the Aborigines, deel 5
Het
leek wel een monumentale barst
Vandaag 9 juli is het een maand geleden dat Mirjam en
Coen getrouwd zijn in Riethoven. Het is tevens onze laatste
dag in Purnululu National Park. Na het gezamenlijke ontbijt
gaan Mirjam en Coen op expeditie naar Cathedral Gorge en omgeving.
Wij gaan naar Echina Chasm dat zo'n 12 km verderop naar het
noorden ligt, helemaal aan de andere kant van de Bungle Bungle
Range.
Onderweg daar naar toe was de afslag naar het Bungle Bungle
Outcamp afgesloten omdat plaatselijke Aboriginals Communities
daar bijeenkwamen voor een ceremonie op een van hun heilige
plaatsen hier in de omgeving. Vanaf de parkeerplaats die daar
iets voorbij lag, want verder mag je met auto's niet komen,
wandelden we in de richting van de hoge rotswand. De kloof
was van die afstand nog niet waar te nemen. Het pad er heen
voerde ons over gigantische grote rivierkeien en het was echt
uitkijken geblazen dat we ons niet verstapten of erger. Hoe
dichter we bij de rotswand kwamen hoe massiever, hoger en
ongenaakbaarder deze leek. Tergend langzaam voerde het pad
van grote rivierkeien ons naar de gapende mond van de kloof
die hier vol staat met hoge Livistona palmen. Hoe verder we
kwamen, hoe smaller, hoger en leger de kloof werd en we zagen
hoe het felle zonlicht van buiten hier zijn krachten bijna
helemaal had opgebruikt.
Alleen als er iemand voor je liep was het mogelijk je een
voorstelling te maken van de gigantisch hoogte van de wanden
die 180 meter boven je uit toornden. Al lopend drongen we
steeds dieper en dieper door in het rotsmassief tot we niet
meer verder konden, omdat een groot aantal naar beneden gestorte
rotsblokken ons de doorgang door deze monumentale hoge en
smalle barst onmogelijk maakten.
Ja, het lijkt een grote barst in het rotsmassief, maar de
chasm is in werkelijkheid een gorge die door
het water van een beekje vol rivierstenen door de eeuwen heen
werd uitgesleten in het massief. Er stroomt hier dus soms
water, vandaar ook dat de Livistona palmen hier bij de ingang
van de chasm groeien.
Toen we terugliepen beseften we pas hoe diep we in de kloof
waren doorgedrongen. De uitgang was niet meer te zien, bochten
in de kloof verhinderden ons dat. Eindelijk werd het weer
lichter en zagen we door de engte tussen de hoge rode wanden
de palmen weer die de ingang markeerden. Samen met het licht
kwam ook de warmte van de zon ons weer tegemoet. Nu ervoeren
we pas hoe heerlijk fris het was geweest tijdens onze wandeling
die ongeveer 3 uur had geduurd.
We besloten nog even halverwege de hoogte van de ingang te
picknicken, en wat te drinken voordat we verder zouden gaan.
Vanaf deze hoogte hadden we een prachtig uitzicht over de
vallei waar verschillende kreken hun oorsprong vinden.
Vanaf de parkeerplaats reden we nu naar Froghole Gorge en
Mini Palm Gorge, de eerste was om onbekende redenen tijdelijk
niet toegankelijk, dus reden we over de moeilijke smalle track
met aan weerskanten bergen van grof grind, waardoor uitwijken
voor tegenliggers geen optie was, naar Mini Palm Gorge. Hier
stond het kleine parkeerterrein mudje vol glimmende 4WD's
zodat we geen behoorlijke plaats konden vinden voor onze camper.
Bovendien zagen we op de borden bij de ingang van de gorge
dat de wandeling er doorheen ons minstens tweeënhalf
uur zou gaan kosten. We keken op onze klokjes en besloten
om maar rustig richting onze campsite te rijden en
ons voor te bereiden op de dagen die we nog voor ons hadden.
Soms is er een grens aan wat je op kan nemen als er in korte
tijd zoveel uitzonderlijke indrukken, als die hier in dit
indrukwekkende nationale park, op je afkomen. Niet voor niets
staat ook dit nationale park op de Unesco werelderfgoed lijst.
Mirjam en Coen waren nog niet terug toen we de campsite
opreden. Dus namen we de tijd om alvast wat voorbereidingen
te treffen voor het eten. Terwijl we daar mee bezig waren
kwam de ranger langs voor een praatje en vroeg ons
of we gisteravond de zonsondergang hadden bekeken vanaf de
hoogte achter zijn persoonlijke kamp. Maar dat hadden we niet.
We kregen van hem nu toestemming om over zijn terrein naar
boven te gaan en dat hebben we dus ook gedaan die avond met
zijn viertjes. We moesten al voor vijf uur boven op de rots
zitten, anders waren we te laat had de ranger gezegd.
De zonsondergang zelf was niet zo spectaculair, maar vooral
het langzame verdwijnen van de laatste zonnestralen die nog
net de rode rotswand aan de overzijde van de vallei verlichtten
was spectaculair, en met de maan daarboven hoog in de staalblauwe
lucht een buitengewoon mooi plaatje. Feitelijk stonden we
dus met onze rug naar de zon naar een zonsondergang te kijken.
Wonderlijk.
Op naar de "gevreesde" Gibb River Road
Vandaag op de tiende juli hebben we totaal 245 km voor de
boeg, waarvan 53 over de Spring Creek Track. Om zeven uur
begonnen we aan de track het park uit, maar nu reden
we samen op en konden er gemakkelijk wat foto's gemaakt worden
van hoe we dwars door rivieren en kreken heenreden. Bovendien
hadden we, nu we de weg kenden, nog meer tijd om van het wisselende
landschap te genieten. Toch bleef het opletten, want deze
track was verraderlijk.
Op de highway zouden we gevieren doorrijden tot Turkey
Creek Roadhouse om te tanken en koffie te drinken alvorens
verder te gaan. Toen we daar klaar waren reden wij alvast
vooruit want Mirjam en Coen zouden ons wel inhalen hadden
ze aangegeven. Veel auto's waren er niet op de weg, dus zouden
we hen wel achter ons zien verschijnen; toch had het ons slimmer
geleken als we hun autonummer hadden genoteerd. Dus zodra
we de Nissan X-Trail achter ons zagen aankomen probeerden
we het nummer te ontcijferen en noteerden we: "757-814
N.T. Outback Australia". Het liefst had Coen die plaat
met "N.T.Outback" er op van de auto gesloopt en
mee naar huis genomen als souvenir, maar daar is het niet
van gekomen.
We hadden afgesproken dat we op de parkeerplaats vlakbij de
afslag naar Kununurra zouden lunchen voor we zouden doorrijden
naar het begin van de Gibb River Road. Daar moest Coen alle
borden, waar wij geen oog voor hadden, fotograferen zoals
het grote bord waarop aangegeven stond welke delen van de
Gibb River Road open waren (allemaal dus) en het bord waarop
aangegeven stond dat er hier road trains voorkwamen
met een lengte van 54 meter.
De Gibb River Road is in totaal 676 km lang en is bij streekbewoners
bekend onder de naam "biefstukweg" vanwege de vele
road trains die er rijden volgeladen met rundvee.
Onze eerste ervaringen op de Gibb River Road waren van dien
aard dat we ons afvroegen: "Is dit nou alles?",
maar later zou de weg zijn ware aard tonen.
Het mysterie van de verdwenen RockArt Sites
Na 33 km namen we de afslag naar El Questro Station, deze
weg was smal met veel bochten en we moesten een paar keer
door een brede ondiepe kreek voor we bij de receptie van de
campsite aankwamen. Rieky en ik boekten voor 3 nachten
en we kozen in overleg met Mirjam en Coen voor een eigen terreintje
om te kamperen ongeveer 4 kilometer verder op, ver weg van
de overvolle officiële campsite. Er waren daar
10 van die terreintjes gemaakt midden in de wildernis vlak
langs de rivier, ieder met een eigen toegang. Maar toen Coen
had gezien wat kamperen hier per nacht kostte boekte hij maar
voor twee nachten.
Intussen had ik geïnformeerd naar de beroemde RockArt
Sites die hier moesten zijn. De vrouwelijke ranger
die ik aansprak zei dat ze daar niks van wist, maar toen ik
haar antwoordde dat ik dan wel even mijn documentatie uit
onze camper zou halen gaf zij grif toe dat zij van het management
niets mocht zeggen over deze RockArt Sites. Het waarom werd
mij niet meteen duidelijk. Ik vond het wel een belachelijke
situatie, dus zei ik tegen haar dat ik hierover dan wel een
gesprek wilde met de manager. Zij zou een afspraak voor mij
regelen, zei ze zonder omwegen of excuses.
We hadden al gauw door dat men er hier vanuit ging dat men
meer kon verdienen met mensen die kwamen vissen, dan met mensen
die voor de Aboriginal kunst kwamen.
Wij hadden Mirjam en Coen beloofd vanwege het feit dat ze
morgen een maand getrouwd zijn, om bij de eerste de beste
gelegenheid ergens lekker te gaan eten. Dus gingen we kijken
bij het restaurant. We ontdekten al snel dat alles in deze
negorij zeer gepeperd geprijsd was. Bovendien gedroegen de
mensen die daar werkten zich arrogant alsof ze zojuist een
ster van Michelin hadden gekregen. Als we hier wilden eten
dan hadden we niks te kiezen, want het kon alleen maar op
het tijdstip dat zij nog een krap gaatje hadden tussen twee
andere boekingen door. Daar pasten we alle vier feestelijk
voor. Dat etentje hielden Mirjam en Coen van ons tegoed. Al
met al hadden we goed de pest in, en ook wij lieten onze boeking
van drie nachten terugbrengen naar twee.
We zaten nog op het terras voor de receptie om wat te drinken
toen de ranger mij kwam voorstellen aan haar "General
Manager", zoals op David's kaartje stond. Mijn vraag
hoefde ik niet meer te herhalen, dat was hem wel duidelijk.
Maar hij diste een verhaal op dat hier op neer kwam dat het
hem bij wet onmogelijk gemaakt was om met campinggasten naar
RockArt Sites te gaan.
Ook de indigenous people, hij bedoelde de Aboriginals,
die het gebied bewonen hadden het hem verboden. Ik zei dat
ik dat niet kon geloven gezien de vele publicaties die er
over deze RockArt Sites bestaan. Mijn mond viel open van verbazing
toen hij ons aanbood, tegen betaling, om ons kleine groepje
naar een van de vele RockArt Sites te brengen per helikopter.
Ik maakte hem duidelijk dat zijn verhaal niet klopte en dat
ik niet gediend was van dit soort commerciële koppelverkoop.
Ik was werkelijk heel boos op deze man, en dat had David perfect
in de gaten. Ik maakte een eind aan het gesprek voordat het
uit de hand zou lopen.
Intussen zat de vrouwelijke ranger, waaraan ik oorspronkelijk
mijn vraag over de RockArt Sites had gesteld, zich te verkneukelen
omdat haar baas nu eens de wind van voren kreeg. Later vertelde
zij mij dat zij aanvankelijk was aangenomen om als gids gasten
te begeleiden naar de RockArt Sites en uitleg te geven. Zij
had alle informatiebladen over Aboriginal RockArt moeten vernietigen,
vertelde zij mij. Wat was hier nou echt aan de hand?
Een elektrisch zoenoffer
Later kreeg ik van haar nog wat oude informatiebladen waarop
alle RockArt Sites aangegeven stonden inclusief alle info.
Zij had kennelijk deze A4-tjes weten te redden toen de zuiveringsoperaties
van haar hoogste bazen begon. Verder bracht zij mij namens
David de boodschap over dat we gratis en voor niks de volgende
dag gebruik mochten maken van een elektrisch bootje om naar
de RockArt Site te varen die aan het eind van de Chamberlain
Gorge lag, tenminste tot aan het punt waar je niet meer verder
kon. Zij vertelde ook dat voorbij de "officieel"
aangegeven site, als we iets verder de gorge
inliepen over het rotsige oever plateau, met enige moeite
ook nog prachtige voorbeelden konden vinden van de zogenaamde
Bradshaws RockArt.
Intussen zwakte David zijn oorspronkelijke standpunten af
tegenover mij en zei dat er problemen waren met de indigenous
people over de openstelling van de RockArt Sites op hun
grondgebied en dat zijn organisatie nog geen overeenkomst
had kunnen bereiken met deze Aboriginal mensen. Dit kwam mij
iets aannemelijker voor. Na overleg accepteerden we David's
aanbod van het bootje als een soort excuus van zijn zijde.
Op het terras zat ook een man die zich Richard liet noemen,
de ranger had gezegd dat ik hem maar een biertje moest
aanbieden want hij wist alles over Aboriginal Art in de The
Kimberley. Van hem kreeg ik waardevolle informatie over RockArt
Sites bij de Mitchell Falls en de King Edward River Areas
en een situatie tekeningetje waar we die sites konden
vinden. De man was blank en een kleurrijk figuur die zich
niet al te veel om zijn uiterlijk bekommerde. Hij werd door
Aboriginal stammen in dat gebied beschouwd als hun blood
brother.
Varen tussen krokodillen
Toen wij aankwamen bij het pad dat leidde naar ons privé
kampeerterrein zat er de complete familie wallabies op ons
te wachten. Maar toen ze de camper zagen aankomen verdwenen
ze toch maar snel in de bush. We settelden ons en begonnen
met voorbereidingen voor de maaltijd. Coen verzamelde intussen
takken, boomschors en stronken om na zonsondergang een groot
hoog vuur te maken.
Na het eten was het zalig om met zijn viertjes om het vuur
te zitten en ons er over te verbazen hoe de nieuwe eigenaars,
die El Questro Station enkele jaren geleden hadden overgenomen,
in zo'n korte tijd kans had gezien om dit prachtige gebied
in en rond El Questro zo verschrikkelijk te verpesten en te
commercialiseren. Uit verhalen die wij hoorden was het enkele
jaren geleden nog een zeer gemoedelijke plek om te vertoeven
en waren de vele ArtSites op en rond El Questro Station echt
open voor het publiek en de grote trots van de oorspronkelijke
eigenaren.
Op de ochtend van de elfde juli reden we eerst met de auto
naar het kampterrein waar de douches en de toiletten zijn
om toilet te maken. We haalden meteen het elektrisch motortje
op met de bijbehorende accubak en vier zwemvesten. Daarna
reden we dezelfde weg weer terug, maar nu reden we 6 km verder
door tot aan de steiger waaraan de 4 en 6 persoons vissersbootjes
van aluminium lagen afgemeerd voor verhuur. Hier stond een
groot bord met: "Warning!! Crocodiles inhabit these waters",
"Take care" en een verhaal over de Estuarium krokodillen
die ze hier "Salties" noemen. Maar we hebben er
niet een gezien gedurende onze tocht.
We installeerden het motortje op de boot, organiseerden nog
een tweede riem omdat er maar een in ons bootje lag, staken
van wal en voeren Chamberlain Gorge op over het spiegelgladde
water tussen hoge rotswanden.
Als we nog geen driehonderd meter van de steiger af zijn geeft
het elektrische fluistermotortje de geest. Coen, als meest
technische van ons vieren keek of hij kon zien wat er mis
mee was, maar ook hij kon er niets aan verhelpen. Alle draadjes
zaten vast en op de juiste plaats.
Toch goed dat we nu een compleet stel riemspanen bij ons hadden,
anders hadden Mirjam en ik niet eens terug kunnen roeien.
En dat was ook niet gemakkelijk want aan één
kant ontbrak een van de dollen die je riem op zijn plaats
moet houden. We waren bijna terug bij de steiger toen er een
grote Range Rover aan kwam rijden. David, de manager, zat
achter het stuur en had een Aboriginal gids bij zich omdat
zij over 10 minuten met een rondvaartboot vol toeristen ook
naar de ArtSite zouden varen. Zou David voor een bezoek met
een boot vol toeristen aan deze ArtSite dan wel toestemming
hebben van de indigenous people?
Toen David ons terug zag roeien vroeg hij aan ons wat er mis
was. We vertelden hem dat het motortje het had begeven en
hij belde meteen om te vragen of de receptie kon zorgen dat
er een nieuw motortje werd meegegeven met de toeristenbus.
Dat kon. Dus na 10 minuten voeren we voor de rondvaartboot
uit de gorge in.
Terwijl David aan het bellen was maakte ik een praatje met
de Aboriginal gids die op de boot zat te wachten en daar kon
ik uit opmaken dat de relatie tussen de indigenous people
en the company die El Questro sinds een paar jaar had
overgenomen niet optimaal was; meer wilde deze man er niet
over kwijt... en kon hij er ook niets over zeggen.
Het was een fascinerende ervaring zo diep de gorge
in te varen. Na de tweede bocht zagen we dat er verspreid
over de hele breedte van de gorge overal kleine boeitjes
lagen. Het was even puzzelen om uit te vinden wat daar de
bedoeling van was. Het was duidelijk dat het geen bebakening
van de vaargeul kon zijn, daarvoor lagen ze veel te chaotisch
verspreid over het vaarwater. Maar omdat het water zo helder
was werd snel duidelijk dat de geïmproviseerde boeitjes
de grote rotsblokken markeerden die hier vlak onder de waterspiegel
liggen.
Een Wandjina, en veel Bradshaws
Nadat we deze obstakels genomen hadden kwamen we aan het punt
waar deze gorge geblokkeerd werd door een barrière
van rots en rotsblokken. Hier moesten we afmeren en verder
lopen over een rotsplateau dat op de rechteroever van de rivier
lag. Al snel zagen we hoog tegen de wand van de gorge,
onder een overhang, een imponerende rotsschildering. Er staan
drie figuren op en een daarvan is met grote zekerheid een
afbeelding van Wandjina, een mythologische voorstelling van
een geestverschijning van een voorvader.
Deze Wandjina schilderingen zijn heel typisch voor The Kimberley
regio. We zullen er dan ook later nog meer tegen komen als
we verder trekken. Coen en Mirjam klommen moeizaam omhoog
tegen de wand om de Wandjina schildering van dichterbij te
bekijken en te fotograferen, maar het viel niet mee om boven
te komen. Toch lukte het hen.
We liepen verder in zuidelijke richting en speurden met arendsogen
de wand af om Bradshaws tekeningen en schilderingen
te vinden. In eerste instantie zagen we niks, maar toen we
wat intenser de rotsmuur afspeurden ontdekten we de ene na
de andere rotstekening en -schildering. Uiteindelijk vonden
we enkele tientallen voorbeelden van de Bradshaws RockArt
hoger en lager tegen de rotswand.
Daar stonden we dan tegenover kunstuitingen waarvan wordt
aangenomen dat ze in veel gevallen meer dan 17.000 jaar geleden
door de mens gecreëerd werden. Een klein groepje Australische
bezoekers had meer expertise m.b.t. deze Bradshaws
dan wij, daar wilden ze graag met ons over praten en ons wijzen
op sommige bijzonderheden.
De Bradshaws tekeningen en schilderingen werden in
1891 ontdekt door Joseph Bradshaw en zijn dus naar hun ontdekker
vernoemd. Bradshaws, ook bekend bij de Aboriginals
onder de naam Gwion Gwion, behoren tot een unieke en
onderscheidende stijl van RockArt in The Kimberley.
De Aboriginals erkennen echter deze Bradshaws schilderingen
en tekeningen niet als het werk van hun voorvaderen, toch
zijn de deskundigen van mening dat het wel zo moet zijn geweest.
Volgens wetenschappelijke schattingen moeten er alleen al
in The Kimberley meer dan 100.000 Bradshaws sites te
vinden zijn in een gebied van zo'n 50.000 vierkante kilometer.
De was, de kitsch, het vuur en de glimmertjes
Al spelevarend en genietend van de prachtige natuur voeren
we in stilte terug naar de bootsteiger. We spraken af dat
we op de terugweg eerst naar ons camp zouden rijden om de
was op te halen. Rieky en Mirjam hadden gezien dat er wasmachines
stonden bij het sanitaire blok en wilden van deze mogelijkheid
gebruik maken om te wassen. De was in de trommel doen was
niet zo moeilijk, maar om de machine aan de gang te krijgen
maakten ze gebruik van de ervaring van andere campinggasten.
Het bleek een handigheidje te zijn met een aantal muntjes.
Toen ze daar achter waren was het simpel en werden er meerdere
wassen gedraaid.
Coen en ik brachten het motortje, de accubak en de vier zwemvesten
terug waar ze hoorden en verkenden het terrein verder. Coen
had daarbij bijzondere aandacht voor de helikopters en verwonderde
zich er over dat de monteur die bezig was met reparaties of
onderhoud helemaal in zijn eentje aan het werk was. Dat zou
bij ons niet kunnen, zei hij.
Maar ook de vele luxe merken, zeer dure 4WD's en SUV's stonden
te glimmen om Coen's aandacht te trekken. Dat moest ook wel
want ze stonden daar met zeer velen "op te scheppen"
alsof ze nog in de showroom stonden.
Mijn aandacht ging uit naar een grote openluchtgalerie die
gesitueerd was op het grasveld voor het restaurant. Je zou
op deze plaats toch juist fraaie plaatselijk gemaakte Contemporary
Aboriginal Art verwachten, maar nee hoor, het waren landschapjes
en portretten van blanke Australische "meesters",
waar maar één oordeel over mogelijk was: passé,
zouteloos en soms zelfs pure kitsch.
Vermoeid terug op onze stek, werden er door Coen weer grote
stapels hout verzameld voor een nog groter kampvuur dan gisteren.
Wij streken vermoeid en voldaan neer in onze stoelen en genoten
respectievelijk van een heerlijk glaasje bier, wijn en cola.
Even voor de schemering zou invallen zorgde Rieky en ik gezamenlijk
voor de avondmaaltijd. Mirjam en Coen ontstaken intussen het
kampvuur waar we ons tot laat in de avond aan konden warmen,
met dien verstande dat laat hier erg relatief is, want laat
was hier voor ons uiterlijk halfnegen.

Over een wasbord met veel stof en stenen
In de vroege ochtend van 12 juli vertelden Mirjam en Coen
ons pas onder het ontbijt dat Balkenende III was gevallen
over het Nederlanderschap van Ayaan Hirsi Ali. Dat waren ze
vergeten te vertellen. Het was het eerste nieuws dat we hoorden
uit Nederland sinds we waren vertrokken, maar voor ons wel
nieuws om opgetogen van te worden.
Na het ontbijt lieten we El Questro achter ons en reden terug
naar de Gibb River Road. Ons doel was om vandaag in Drysdale
River Station aan te komen. We reden eerst tot aan de afslag
naar Kalumburu en dan verder in noordelijke richting over
de Kalumburu Road, totaal 326 km over slechte wegen. En dat
kostte veel tijd. Bovendien had nu ook de airco in het cabinecompartiment
het begeven en dat was niet leuk. Met open ramen rijden was
geen pretje met al dat stof, maar er zat niets anders op.
De Gibb River Road voert ons door het schitterende en zeer
wisselende landschap van The Kimberley. De ondergrond van
deze niet geasfalteerde, lange brede en stoffige weg is zeer
wisselend van kwaliteit. Soms is het als een groot wasbord,
soms bestaat het uit heel grof steenslag of bij een voorde,
een doorwaadbare plaats in een rivier, uit zware vette modder.
Maar deze weg verschiet ook steeds van kleur, soms is ie rood,
soms geel en soms ook asgrauw, evenals het stof dat achter
ons opdwarrelde. Vlak ligt deze weg al evenmin want hij vormt
zich lenig als een slang naar de curven in het landschap.
Bij Pentacost River, een van de vijf gigantisch grote rivieren
die bij Wyndham in zee stromen, moesten we dwars de brede
rivier over steken. Om te voet de rivier in te gaan om te
kijken hoe diep die is, zoals je dat leert op de cursus, is
geen optie omdat dit het leefgebied is van de gevaarlijke
estuarium krokodillen. Dus keken we de kat uit de boom tot
een paar Australiërs met hun 4WD's de oversteek wagen.
Tot ongeveer de achterlichten verdwenen deze hoog op hun wielen
staande voertuigen in het water, maar de rivier blijkt niet
op alle plaatsen even diep te zijn bleek ons later. Rieky
en ik reden als eersten de rivier in, gevolgd door Mirjam
en Coen. Coen was van mening dat we door een oneffenheid in
de bodem, op een punt veel te schuin hingen. Maar dat gevoel
hadden wij helemaal niet gehad. Nadat we de Pentacost River
waren overgestoken klommen we een behoorlijk stuk omhoog.
Op de hoogte lag een uitzichtpunt met een fabelachtig uitzicht
op het rivierenlandschap in de richting van Wyndham.
We daalden en klommen, we hadden prachtige vergezichten en
staken meerdere rivieren en kreken over. Ergens in de buurt
van Durack River stonden we tot onze verbazing ineens voor
een wegopbreking echt in the middle of nowhere.
Om ons te waarschuwen stond er een groot geel bord met "Traffic
Hazard Ahead". Verderop stond er ook een eenzame
man met een stopbord om het verkeer te regelen. Verkeer dat
er eigenlijk niet was, maar het was wel een erg onoverzichtelijke
situatie omdat de weg direct na de opbreking naar links afboog,
de begroeiing langs de weg ons het zicht ontnam en de weg
daarna snel omhoog klom.
We moesten stoppen al kwam er geen verkeer uit de tegenovergestelde
richting, toch hield de man met het stopbord ons nog steeds
tegen. Mirjam kwam naast ons staan, draaide haar raampje open
en vroeg schertsend wat er eigenlijk aan de hand was. Nou,
antwoordden wij, we moeten hier even wachten want er zijn
daar zeker vier mensen bezig met voorzieningen te treffen
om te voorkomen dat de kreek ter plaatse de weg kan wegspoelen.
Een veeboerderij van 60 bij 60 vierkante kilometer
Voordat we aan de afslag kwamen richting Kalumburu was
er nog een omleiding. Men was bezig met het verbeteren van
de weg. Voorbij de omleiding was er ineens een nieuw stuk
weg van ongeveer 3 km lengte met stevig aangewalst gravel.
Dat gaf ons even weer het gevoel dat we op asfalt reden. En
dan eindelijk was daar het bord dat aangaf dat we na 300 meter
rechtsaf moesten slaan. Het was nu nog 59 km naar Drysdale
Crossing. En de weg was redelijk zodat we snel konden opschieten.
We waren zowat het enige verkeer op deze weg. Behalve dan
een combibusje met Aboriginal mannen, dat net even harder
reed dan wij en ons passeerde.
Langs de weg stonden ineens een aantal borden die ons Drysdale
River Station aanprezen en ons maanden hier te stoppen. Meals,
licensed bar, hot showers, fuel, camping, shop, enz, enz,
stond er wervend. Maar die aanbevelingen hadden wij niet nodig,
nog ongeveer 1,5 km en dan waren we even terug in de beschaving
dachten we.
Drysdale River Station is een veeboerderij van 60 bij 60 vierkante
kilometer groot. Op dit station, zoals ze dat hier
noemen zijn behoorlijk goede faciliteiten om te kamperen.
Om halfvier parkeerden we onze auto's voor de receptie om
ons aan te melden en onze tanks vol te gooien met brandstof.
"No self serve", stond er op de pomp. Nadat we ons
aangemeld hadden was de verlokking van de bar met terras te
groot om te weerstaan. Na deze vermoeiende en stoffige rit
hadden we rust en een verfrissing verdiend vonden we.
Het restaurant leek ons wel wat. De kaart zag er goed uit,
dus informeerden we of we er die avond konden eten. Maar jammer
voor ons had het restaurant geen stoel meer vrij, omdat die
avond alle tafels gereserveerd waren voor toeristen die met
een adventure tour organization rondtrokken. Dat was
dus jammer voor ons. We konden nog wel tot vier uur porties
frites bestellen, werd ons gemeld.
Voor we een plaatsje gingen zoeken op het kampeerterrein dat
helemaal achterin op het terrein lag zouden we inkopen gaan
doen in het winkeltje in de loods achter de benzinepomp.
Op deze plaats, waar in een straal van honderden kilometers
geen behoorlijke winkel te vinden is, kunnen we kiezen uit
bijvoorbeeld: diepgevroren rundergehakt of diepgevroren rundergehakt,
ander vlees is er niet, verse groente is er ook niet, alleen
2 à 3 soorten ingeblikt, er is maar één
soort grijsbrood uit de vriezer van het soort dat ze hier
volkorenbrood noemen, ze hebben tandpasta van één
merk en in één formaat tube, één
soort oploskoffie, gewone koffie verkopen ze niet en zo kan
ik nog wel even doorgaan.
Ze verkochten hier eigenlijk veel van niks, zeiden we tegen
elkaar. Het winkeltje werd gerund door een stel aardige mensen
van middelbare leeftijd. Toen we afrekenden sprak de man van
het winkeltje ons aan en hij vertelde ons in het Engels dat
in Holland een heatwave het weer al weken beheerste.
Hij had ons horen praten en gehoord dat we uit Nederland kwamen.
Hij was ooit in zijn jeugd met zijn ouders vanuit Nederland
naar Australië geëmigreerd en hij vertelde dat hij
ons redelijk kon verstaan, maar Nederlands spreken dat lukte
hem niet meer.
Rondom een sanitairblok met zes badkamers, extra toiletten
en een ruimte met een wasmachine lag een groot stuk bush
dat behoorlijk was uitgedund. Tussen de bomen vonden we op
het toen nog bijna lege terrein een geschikte plaats voor
onze camper en het tentje van Mirjam en Coen. Zodra zij hun
tentje hadden opgezet verdwenen die twee in het ons omringende
bos en kwamen even later weer beladen met houtstronken en
takken terug voor weer een groot kampvuur.
Tegen het vallen van de duisternis, toen wij bezig waren met
eten maken kwamen er nog wat verlate kampeerders een plekje
zoeken. Een stel met een rondom open Jeep viel erg uit de
toon. Een tent of iets dergelijks hadden ze niet bij zich.
's Avonds laat zagen we dat ze onder de auto gingen liggen
om te slapen. De man van dit stel pakte meteen na aankomst
een grote kettingzaag uit zijn bagage, die op een benzine
motortje werkte, liep het bos in en begon tot onze verbijstering
hele bomen om te zagen. En wij waren niet de enigen die erg
verbaasd reageerden, maar niemand zei er wat van.
Stofwolken, slechte wegen, veel rivieren, en geen bruggen
De volgende ochtend had het geregend. Onze Australische buren
noemden het een shower. In onze kuipstoeltjes, die
elke nacht buiten bleven staan, stond voor het eerst een plasje
water.
Onze eerste vraag aan de Australisch-Nederlander van het winkeltje
was of het wel verantwoord was om richting het Mitchell plateau
te vertrekken na die regenbui. Helemaal niks aan de hand,
was zijn antwoord, dit was gewoon een buitje voor het stof.
Na nog wat voorraad te hebben ingeslagen reden we richting
Kalumburu tot de afslag Mitchell Falls. Na twee kilometer
begon het stof gewoon weer omhoog te dwarrelen alsof er geen
buitje gevallen was die nacht.
We gingen ook hier door verschillende rivieren, maar erg diep
waren ze niet. De corrugation (het wasbord) was daarentegen
dieper en korter van golf. Dit stuk weg was echt veel erger
dan het stuk wasbord dat we gisteren gereden hadden op de
Gibb River Road. Hard rijden was er dus niet bij, maximaal
30 km per uur. We werden op deze weg kompleet door elkaar
geschud en dat zeker een uur achter elkaar. Soms reden we
links, wat hier normaal is, maar omdat er toch geen verkeer
was reden we ook stukken rechts of midden op de weg. Ineens
zagen we voor ons een enorme rode stofwolk. Langzaam haalden
we drie 4WD's in die in konvooi reden, maar dan nog langzamer
dan wij. Mirjam en Coen moesten ergens voor ons uit rijden,
toch bleven we aanvankelijk op eerbiedige afstand, achter
de stofwolk van dat konvooi hangen. Uiteindelijk waagden wij
de sprong om het konvooi te passeren. De weg was er breed
genoeg voor, maar ondanks dat wij iets harder reden dan zij
duurde het een hele poos eer we er echt voorbij waren.
Even voordat we aan de afslag naar het Mitchell Plateau kwamen
werd de weg wat beter en zagen we dat Mirjam en Coen voor
de afslag op ons stonden te wachten. We hadden er nu een dikke
100 km op zitten en we hadden er zeker nog 80 te gaan. En
de weg naar het plateau zou veel smaller zijn met nog een
paar brede rivieren erin om over te steken. We spraken af
dat we in ieder geval bij de King Edward River op elkaar zouden
wachten. Deze rivierdoorgang was dieper dan alle andere, hadden
we gehoord.
De situatie bij King Edward River was erg onoverzichtelijk.
Het laatste stukje naar de rivier ging behoorlijk steil omlaag
en ligt in een fikse bocht naar rechts. Bovendien was de afrit
bezaaid met grote stukken rots en waren er aardig wat oneffenheden
in het wegdek van een leemachtige soort.
We wilden eerst wel eens zien hoe andere mensen met hun auto
de rivier indoken en aan de andere kant er ook weer uitreden.
We hoefden niet erg lang te wachten tot er een ervaren 4WD-er
aankwam die zonder enige aarzeling de rivier inreed en overstak.
Naar onze waarneming stond er op het diepste punt in de rivier
ongeveer zo'n 1,30 à 1,40 meter water.
We moesten hier wel erg lang wachten op Coen alvorens we aan
de oversteek konden beginnen, want de Nissan X-Trail had geen
snorkel zoals onze camper. Die snorkel moet er voor zorgen
dat er geen water in de luchtinlaat van de motor komt. Daarom
moesten Coen en Mirjam eerst het blauwe grondzeil van hun
tentje over de neus van hun auto spannen en stevig zien vast
te maken, alvorens ze aan de oversteek durfden te beginnen.
Bovendien moesten Coen en Mirjam redelijk snel door de rivier
rijden omdat het gevaar bestond dat hun auto anders zou gaan
drijven als hun banden grip zouden verliezen op de bodem vanwege
de diepte van de rivier. Daarvan zouden wij met onze camper
geen last hebben omdat het gewicht van de camper de wielen
wel op de bodem zou houden.
Dwars door rivieren of het dagelijks werk was
Wij zouden eerst gaan. Vooraf hadden we goed gekeken hoe we
precies door de rivier zouden gaan. Eerst de linkerkant houden,
dan een heel klein bochtje naar rechts en dan pas eruit rijden.
Rieky reed voorzichtig de rivier in en we waren aan de overkant
voordat we het wisten. Bij de oprit uit de rivier sloeg onverwachts
onze motor af, maar voordat we terug de rivier in zouden rijden
had Rieky de situatie weer in een handomdraai onder controle
en stonden we met een druipende auto maar met droge voeten
op de ander oever.
Uit
ervaring wisten we nu dat de bodem van de rivier niet alleen
bestond uit rotsplaten en stenen, maar ook uit zand wat het
extra moeilijk had gemaakt om op de juiste manier aan de overkant
te komen.
Er was wel veel water gekomen in de kastjes die aan de buitenkant
van de camper zaten, dit omdat de rubbers die dat water behoren
tegen te houden totaal waren uitgedroogd vanwege slecht onderhoud,
maar het kon geen kwaad omdat er in die kastjes niks stond
dat niet nat mocht worden.
Onze camper stond op de wallekant te druipen als een hond
die zojuist uit het water was gekomen. In het wooncompartiment
van de camper, we ontdekten dat pas later, was het water tot
boven het trapje gekomen en binnengelopen over de vloer. Het
matje en de vloer waren een beetje nat geworden. Dat was alles.
Nu was het wachten tot Coen en Mirjam de oversteek zouden
wagen. De inzittenden van een Australische 4WD was ook nieuwsgierig
hoe hun dit zou afgaan en zij bleven staan kijken onder het
mom "van misschien hebben die mensen wel hulp nodig".
Maar zover kwam het niet. Coen en Mirjam haalden de overkant
met gemak, alleen was er bij hen wel water door de portieren
naar binnen gestroomd en moest er gedweild worden en later
op de campsite werden de automatjes in de zon gedroogd.
Door de spanning van de oversteek zouden we bijna vergeten
naar de kleurrijke tropische begroeiing te kijken langs de
oevers van deze fraaie rivier.
Van Richard, de man die we op El Questro ontmoet hadden, wisten
we dat er even voorbij de rivier een smal en slecht begaanbaar
pad naar links moest lopen en dat we daar niet ver van de
rivieroever een site zouden vinden met bijzonder RockArt.
Hij had verteld dat deze site nergens stond aangegeven.
Met het handgetekende kaartje van Richard in de hand reden
we verder. Maar kennelijk hadden we teveel onze aandacht nodig
bij de slechte weg waardoor we het paadje over het hoofd zagen.
Na tien minuten gereden te hebben gaven we elkaar met lichtseinen
te kennen dat we wilden stoppen zodra we ergens naast de smalle
weg in dit tropische palmenbos een plaatsje zouden zien waar
we konden parkeren om te lunchen.
In de schaduw van de camper, met palmen boven ons en lage
palmen in onze "voortuin" lunchten we langs de weg.
We stelden vast dat we echt de afslag naar die site hadden
gemist en besloten dat we het op de terugweg vanaf het Mitchell
Plateau nogmaals zouden proberen.
Met
dank aan Rieky en Johan Hermsen voor het kritisch lezen van
de teksten, het aandragen van tekstsuggesties en het aanbrengen
van tekstcorrecties
Ad
van Tiel, Landsmeer,
11 augustus 2007
Niets
uit bovenstaande tekst mag worden gepubliceerd zonder
voorafgaande
toestemming van de auteurs.
Het zelfde geldt voor alle afbeeldingen en foto's.
Rieky
& Ad van Tiel © 2007
|