print vriendelijke versie zonder foto's




Het weggetje naar de
Kandiwal Aboriginal Community



We hadden nog zeker
twee brede,
modderige rivieren voor de boeg
























De auto van Mirjam en Coen
kreeg zijn blauwe luier weer aan




















Staande boven de Little Mertens Falls
hadden we een prachtig
uitzicht
over het weidse landschap ...

(Foto M&C)
















... en onder de waterval
hebben
de Aboriginals door de eeuwen heen
hun schilderingen en tekeningen
op de rotswanden achtergelaten



(Foto M&C)













Een van de waterverslindende
kloven (Foto M&C)


Door het water waden, met
de gapende afgrond achter onze ruggen

















Een kampeerplaats aan de
oever van de King Edward River



We kregen bezoek van een
behoorlijk grote leguaan
Of was het toch een lizard?























Toch gevonden en ...


... wat we daar te zien kregen
was alle moeite meer dan waard geweest
(Foto M&C)













Op de terugweg maakt Rieky voor de
tweede keer de spectaculaire
oversteek door de King Edward River
(Foto M&C)



















Nu nog 111 zware kilometers
over "de hoofdweg" naar Kalumburu



Dat ze dit nog een weg durven noemen
(Foto M&C)


Welkom, maar wel met
een permit én zonder alcohol
(Foto M&C)


















































Stille stranden, een azuurblauwe zee, ...


... en stoere vissers
(Foto M&C)







Het was oppassen om in het
mulle zand goed grip te houde
n op
de weg naar Honeymoon Bay











De overblijfselen van het kantoor van
Mc Gowan Island Beach campsite
na een typhoon, of was het toch het werk
geweest van rivaliserende Aboriginals







Een paar indrukken van onze wandeling
langs het strand in noordelijke richting


Mangrove bossen en ...


... door de natuur gevormde zoutpannen











Een boomstronk op het strand tegen
de achtergrond van de ondergaande zon
(Foto M&C)

The land of the Aborigines, deel 6

Een vooruitblik op het Mitchell Plateau
Het dichte bos benam ons veelal het uitzicht, maar omdat we voortdurend stevig daalden en dan weer steil omhoog gingen kregen we met regelmaat een goed uitzicht over dit uitgestrekte hoogland in de verte, het Mitchell Plateau.
We reden niet veel harder dan gisteren, maar we genoten erg van de tocht. We kwamen langs een afslag met een heel smal weggetje dat, volgens het bord dat op twee lege olievaten was vastgemaakt, naar de Kandiwal Aboriginal Community voerde. Er stond aangegeven dat het een doodlopende weg was, maar niet hoever de community van de weg lag. Mirjam wilde er eigenlijk wel graag naar toe, maar we wisten niet hoe lang we er over zouden doen als we naar die community zouden rijden en wat we tegen zouden komen. En ook niet of we daar echt welkom zouden zijn. Uiteindelijk gaf de doorslag dat we voor het donker op de campsite wilden zijn, en we hadden nog zeker twee brede rivieren voor de boeg waar we doorheen moesten.



We werden gestopt door een brede modderkleurige rivier. De afrit en de oprit bestonden uit een breed modderbed waar voorgangers duidelijk doorheen hadden moeten ploegen. We waagden de sprong met de camper de modder in en de rivier door. Uiteindelijk viel het Rieky reuze mee, dieper dan de hoogte van onze banden zakten we niet weg in het modderwater.
Coen nam toch het zekere voor het onzekere, dus hun auto kreeg zijn blauwe luier weer aan. Er had zich een kleine file gevormd van wel drie 4WD's die allemaal onderweg waren naar de Mitchell Falls. Iedereen wilde zien of Coen met zijn auto, zonder snorkel, de overkant wel zou halen.
Toen Coen uiteindelijk de rivier inreed was hij toch snel en zonder averij aan de overkant. Wel liet hij weten dat hij op een bepaald deel van deze oversteek het gevoel had dat de auto was losgekomen van de bodem. Hij had dus geluk gehad dat de wielen weer heel snel grip hadden
. Het was een spannend moment, maar ook wel een mooi gezicht, want doordat Coen zoveel vaart had gemaakt met zijn Nissan X-Trail duwde hij in een grote boeggolf erg veel water voor zich uit.

Er kwam nog zo'n rivier waar we doorheen moesten maar we hadden nu zoveel ervaring dat het niet meer mis kon gaan. Toen we daar aankwamen zagen we meteen wat de moeilijkheid was. De plas water lag in een stevige bocht van de weg en we konden dus niet goed de gesteldheid beoordelen van de oever aan de overkant waar we weer uit het water zouden komen. Maar alles ging ook hier perfect. We waren nu zeer dicht bij Mitchell River National Park want op borden langs de weg stond aangegeven dat je vanaf hier, voordat we het park inreden, brandhout moesten sprokkelen voor een kampvuur.
Een kwartier later reden we de campsite op die nogal chaotisch door kampeerders in bezit was genomen. Na enig zoeken vonden we afzonderlijk van elkaar toch nog twee aardig plekjes, misschien iets verder uit elkaar dan gebruikelijk. Achteraf zagen we dat er eigenlijk ruimte genoeg was. Laat op de avond kwam er nog een konvooi Australiërs aan in 4WD's die samen een plekje dichtbij elkaar zochten. Het liefst waren ze vlak voor onze neus en tussen ons in gaan staan. Maar ze begrepen heel snel dat we daar niet zo blij mee waren.
De avond verging ons als vele anderen hier in de bush, eten, afwassen en niet te laat naar bed. We moesten alle vier goed uitrusten van deze vermoeiende dag want morgen hadden we een zware voettocht voor de boeg naar de beroemde Mitchell Falls.


Zo verschrikkelijk veel water en toch uitgedroogd
De Mitchell Falls behoren tot het complexe stelsel van de Mitchell River met haar zijtakken die zich via verschillende kleinere en grotere watervallen naar zee spoedt. Ondanks het vele water dat hier stroomt en omlaag stort bestaat het Mitchell Plateau uit uitgedroogd tropisch land. De tocht die we voor ons hebben, door het praktisch onontgonnen landschap, is maar 3,3 km lang en voert over smalle, met rotsblokken geplaveide paadjes.

Op de vroege morgen van 14 juli vertrokken er veel van de kampeerders van de campsite, die de dag ervoor al naar de watervallen geweest waren, zodat we onze camper zodanig konden opschuiven dat we een eigen vuurplaats tot onze beschikking hadden. Er lag nog wat brandhout dat niet was gebruikt. Als we de komende avond nog wat hout en takken zouden kunnen vinden, konden we een mooi vuur maken. Onze 4 stoeltjes zetten we met de tafel om de vuurplaats heen en daarna vertrokken we pas voor de stevige voettocht naar de watervallen en RockArt sites. Heel vroeg, omdat het op het plateau erg warm kon worden als de koperen ploert op het midden van de dag het plateau met zijn hitte verder probeerde te verdrogen.
Het voetpad dat we moesten volgen, soms was er zelf helemaal geen pad te zien, was maar zeer basaal aangegeven met hier en daar een paaltje en bovendien was het zeer moeilijk begaanbaar vanwege de rotsachtige bodem. We moesten voortdurend oppassen dat we onze enkels niet verzwikten. Al snel kwamen we aan twee ondiepe kreken die we over moesten steken. Het lukte ons om van rots op rots te stappen en zo met droge voeten aan de overkant te komen. We ervoeren de weldadige koelte van het wervelende water onder ons, zelfs ondanks dat het op dat moment nog niet echt warm was.
Al in de buurt van deze kreken, die zich haastig verder repten tussen de in de rots uitgesleten beddingen, begon het ruige tropical woodland waar we dwars doorheen moesten om het pad te kunnen volgen. Even verderop splitste het pad zich naar links, dat volgens de summiere plattegrond die we bij ons hadden naar de Little Mertens Falls leidde.
We volgden dat pad en kwamen uit boven de waterval waar het kristalheldere water via verschillende stroomversnellingen zich een weg baande tussen de rotsschollen door naar de afgrond. De rand van die afgrond werd gevormd door een grote platte rotsschol waarvanaf we een prachtig uitzicht hadden over het weidse en onbewoonde landschap.
We baanden ons een weg naar beneden om onder de waterval te komen. Met wat moeite en veel sluipdoor kruipdoor tussen rotsen, overhangende rotsen en bomen door kwamen we onder en achter de waterval terecht. Het neerstortende water vormt hier een zilveren gordijn dat lijkt opgehangen in een decor van smaragdgroen. De koelte van het verstuivende water was heerlijk en verfrissend. Op deze plek onder de waterval hebben de Aboriginals door de eeuwen heen op de rotswanden hun schilderingen en tekeningen achtergelaten. Net als op andere plaatsen in de Kimberley vonden we hier weer de voorstelling van Wandjina, maar ook afbeeldingen van een gigantische kangaroe, verder een soort beverrat en natuurlijk de Yurlunggul of beter bekend als het Rainbow Serpent.
Naast een caleidoscoop van andere afbeeldingen vonden we een grote afbeelding van een krokodil die hier waarschijnlijk de functie had om anderen te waarschuwen voor de aanwezigheid van deze dieren in deze wateren, maar het kan ook zo zijn dat de krokodil een afbeelding was van de stamtotem van deze mensen.
Wat ons elke keer weer opvalt is dat door de eeuwen heen de Aboriginals tekeningen en schilderingen over en door elkaar hebben aangebracht op de rots Dat maakt de schilderingen en tekeningen gelaagd en rijk, maar soms ook moeilijk onderling te ontrafelen. Het was een fascinerende ervaring, die kunstgalerie onder de waterval. Daarom was het ook moeilijk om afscheid te nemen van deze plek, maar uiteindelijk moesten we toch verder. We hadden nog het grootste deel van de voettocht voor ons.
We klommen, soms diep bukkend voor een overhangende rotswand, weer terug naar boven en vervolgden onze weg door het tropical woodland dat al snel overging in uitgestrekte velden die bedekt waren met de harde Spinifex grasbollen en rotsblokken. Hier doorheen kronkelde zich in de meest onwaarschijnlijke bochten het pad, en erg vlak was het plateau waar het overheen liep ook al niet. Even verderop daalden we af in de nauwe en nog moeilijker begaanbare Mertens Gorge. Het pad lag schuin tegen de hellende wand, ging omhoog en dan weer omlaag. Het was echt uitkijken waar je je voeten neer moest zetten en soms waren de af- en opstappen zo hoog dat het ons veel moeite kostte deze hindernissen te nemen. Intussen speurden we naar Aboriginal Rock Paintings die zich daar tegen de steile wand aan de overkant van de rivier moesten bevinden, maar die schilderingen hebben we nooit kunnen ontdekken. Of we keken niet goed, of we werden gehinderd door de ruige bebossing van de gorge, en de rivier oversteken was hier vanwege de stroming niet goed mogelijk.


Waterverslindende kloven
Na een kleine afdaling stonden we op een rotsplateau vol breuklijnen die veel weg hebben van een uitvergroot craquelé in de verf van een oud schilderij. We stonden nu aan de rand boven de kloof van een van de twee grote Mitchell Falls, of Punamii Unpuu, zoals de Aboriginals deze watervallen noemen. De kloof is gigantisch diep en het plateau bestaat uit ondiep langzaam stromend water en grote rotsplaten.
Hier moeten we dus overheen op nog geen twee meter van de rand van de afgrond. We sprongen van rotseiland op rotseiland om aan de overkant te komen. Rieky kreeg daarbij hulp van haar dochter. Mirjam maakte zich zorgen of het allemaal wel goed zou gaan met een moeder die nog niet zo erg lang geleden een tweede nieuwe heup had gekregen.
Aan de andere kant van de rivier hadden we fabelachtige inkijk in de gapende diepe kloof waarin het water met geraas naar beneden stortte. Wat een schouwspel. Watervallen blijfven keer op keer fascineren.
Hier zochten we een plaatsje waar we onze boterhammen op konden eten, maar veel schaduw was er niet. Alleen de rotswand achter ons gaf een heel klein beetje schaduw en voelde lekker koel aan.

Onderweg naar de tweede waterval kwamen we langs een klein en rustiek moerasgebied. Wat was dat een oase van stilte tussen het geweld van de watervallen. Het stond vol prachtige waterlelieachtige bloemen op hoge stelen. Van een pad was hier al helemaal geen sprake meer. We moesten over gigantisch grote rotsblokken klauteren die hier chaotisch leken te zijn neergesmeten. Op de rots was hier en daar een rood driehoekje aangebracht dat ons de weg moest wijzen.
We liepen in de richting van het watergeweld en de stroomversnellingen van deze tweede waterval die zich, over meerdere plateaus tegelijk, trapsgewijs in verschillende richtingen naar beneden stortten. Wat een energie kwam er hier vrij bij het spel dat het water speelt tussen rotswanden en met de rotsblokken die haar de weg proberen te versperren, op zoek naar het laagste punt ergens diep daar beneden in het dal.
Ineens zagen we dat Mirjam vele tientallen meters hoog boven de waterval op een overstekende rotspunt aan de rechterzijde van de kloof naar beneden stond te kijken. Zij was nu in dit monumentale landschap een nietig stipje dat naar ons zwaaide.

Mirjam en Coen besloten om boven de waterval de rivier over te steken en verderop in de rivier te gaan zwemmen. Wij zouden alvast beginnen aan de terugtocht. We deden het langzaam aan want het was midden op de dag en verschrikkelijk warm. De warmte leek te weerkaatsen tegen de droge bodem van het plateau. Juist toen we de afslag naar Little Mertens Falls waren gepasseerd en weer terug waren in het tropical woodland, zag ik in een flits dat er een behoorlijk grote slang lag te zonnen midden op het pad. In een flits was het beest verdwenen in de bush. Het bevestigde ons weer eens dat het zinnig is om in dit terrein met een stok te lopen en die steeds voor je uit neer te zetten.
Omstreeks half twee waren we terug op de campsite, de plattegrond die ik in het zakje van mijn overhemd had zitten was doorweekt van het vocht. Een uurtje later kwamen ook Mirjam en Coen aanwandelen. Ze hadden heerlijk gezwommen en zich verfrist, maar van die verkoeling was niks meer over na de terugtocht over het plateau.
De avond besloten we met een groot kampvuur. De volgende dag zouden we op de terugweg naar de Kalumburu Road eerst neerstrijken aan de oever van de King Edward River.

Bezoek voor het zwemmen
De terugweg tot aan de Kalumburu Road was bekend terrein voor ons. Op de vijftiende juli om 7.27 uur reden we weg met 3521 kilometers op de teller.
De condities van de weg leken gelijk aan die op de heenweg, alleen hadden we het gevoel dat het water iets was gezakt in de rivieren die we door moesten. Maar de modderbanken waren daarentegen fors toegenomen. Desondanks hing er steeds een stofwolk aan onze achterbumper, dan was die weer rood, en dan weer geel of grijs.
We namen nu wat meer tijd om te stoppen bij lookouts die ons uitzicht gaven over de directe omgeving. We genoten dus volop van de prachtige landschappen, meestal keken we in noordelijke richting, met in het verschiet lichtglooiende bergketens die blauw verschoten door de grote afstanden. Om half elf kwamen we aan bij King Edward River, waar je vrij kon kamperen. We settelden ons aan de oever van de rivier. Coen bood aan om in een koekenpan tosti's te maken. Nou, dat zou er wel ingaan. Na het eten zouden we gaan zwemmen in de rivier, want er was niet één zoetwater krokodil te zien, al moesten ze er wel zijn.
Tijdens het bakken van de tosti's kregen we bezoek van een behoorlijk grote leguaan. Of was het toch een lizard? Ik schatte het beest op zeker 1 meter lang. En bang was het beest ook niet, wel zeer nieuwsgierig. Het bleef maar om ons heen scharrelen.
Zodra Coen klaar was met het maken van de tosti's rende hij als een volleerd wildlife fotograaf met zijn camera achter de leguaan aan. Ik weet nog steeds niet wie van de twee het 't spannendste vond.

De tosti's waren overheerlijk, maar bij het afwassen bleek dat de pan behoorlijk aangebakken was en er moest hard geschrobd worden om hem helemaal schoon te krijgen.
Maar eerst werd er gezwommen, voornamelijk door Rieky, Mirjam en Coen. Onder water liepen de rotsplaten door en er waren door draaikolken in het regenseizoen op sommige plaatsen grote potholes ontstaan onder het wateroppervlak. Het was in ieder geval erg moeilijk om na het zwemmen weer op de droge rotsplaat te komen. Ikzelf was daardoor bang dat ik mijn benen zou openhalen aan de scherpe rotsen onder water, dus meer dan pootje baden was er voor mij niet bij.


Als iets ergens is, moet het ook te vinden zijn
We zouden nu te voet proberen om de Aboriginal RockArt site die aan de andere kant van de weg vlak bij de rivier moest liggen, te bereiken. Toen we naar het Mitchell Plateau gingen hadden we de zijweg gemist, maar volgens de situatietekening die Richard op El Questro voor mij had gemaakt moest daar toch echt een pad zijn.
We verkeken ons weer eens op de afstanden en hadden natuurlijk weer geen rekening gehouden met de middagwarmte. Met als gevolg dat Coen besloot, toen we voor ons gevoel al flink waren opgeschoten, terug naar de campsite te lopen om zijn auto op te halen en dan pas verder te gaan zoeken. Intussen zaten wij netjes te wachten in de schaduw van wat palmbomen langs de stoffige weg.
Met de auto vonden we al snel het pad. Er stond nergens iets aangegeven en er was geen mens te bekennen waaraan we iets konden vragen. We reden het pad dus toch maar op. Een pad dat steeds slechter werd; maar bij een afsplitsing van een vaag loopspoor naar links werd het lemen kronkelende pad zelfs onderbroken met diepe gaten en grote stenen. Uitwijken naar de zijkant konden we vergeten, dus hobbelden we door tot we aan een plaats kwamen waar we de auto konden neerzetten. Coen stelde voor om vanaf hier het loopspoor naar de rivier te volgen en te kijken waar we uit zouden komen. We struinden door het ruige tropische bushland, maar veel leverde het niet op. Geen RockArt site te vinden. Hier en daar vonden we plekjes waar mensen hadden gepicknickt of in het wild gekampeerd. Maar we moesten uiteindelijk toegeven dat we niet gevonden hadden wat we zochten.
Misschien hadden we toch de "officiële" track verder moeten volgen, maar we waren te moe en gaven het voor vandaag op.

We besloten de dag natuurlijk met een groot kampvuur aan de oever van de King Edwards River en met het voornemen morgen toch nog eens te proberen de RockArt site te vinden alvorens onderweg te gaan naar Kalumburu.

Op zondagmorgen pakten we onze spullen in en reden terug naar het pad en gingen voor de laatste keer op zoek naar de RockArt site. En deze keer met succes. Het pad met de kuilen en stenen moesten we helemaal afrijden tot aan een piepkleine parkeerplaats. Daar stond alleen een busje van de Wilderness Challenge tours. Dit was een goed voorteken, en ja hoor we hadden de site gevonden. Wat we daar te zien kregen was alle moeite die we gedaan hadden meer dan waard.
Er was een duidelijk gedeelte dat "voor het publiek toegankelijk was", met loopvlonders. Dit was echter maar een klein deel van de schatten die het terrein verborgen hield. Later bleek, toen we de omgeving afstruinden, dat er nog veel meer Aboriginal tekeningen en schilderingen op het terrein rondom het officiële gedeelte te vinden waren.
We deden in de wijde omgeving de ene na de andere verrassende vondst. Op een gegeven moment lagen Coen en ik op onze ruggen om onder een zeer lage rotsoverhang foto's te maken van de door ons "ontdekte" RockArt schilderingen. Hier kon je goed zien dat in het natte seizoen vanwege het doorsijpelen van water soms toch schade wordt aangericht aan dit waardevol cultuurbezit.


Dat ze dit nog een weg durven noemen
Terug op de weg moesten we eerst nog de spectaculaire oversteek maken door de King Edward River. Maar dat ging allemaal perfect. We wisten nu hoe het moest, waar de bodem van zand was en waar van rots, waar de diepere stukken zaten en de kuilen. Na de oversteek hadden we nog 111 zware kilometers voor de boeg over de hoofdweg naar Kalumburu. 20 kilometer per uur zouden we niet halen, schatten we. Over deze weg rijden gaf ons echt het gevoel "alleen op de wereld" te zijn.

De verhalen die we van rangers hadden gehoord over de slechte condities van de weg die naar de mission in het stadje Kalumburu voerde waren nog heilig bij wat we tegenkwamen. Er waren veel grove en grote scherpe stenen op de weg. Een weg die zelfs ook nog eens uit een soort keiharde golfplaat bestond die dwars op de rijrichting lag.
Het landschap waar we doorheen reden veranderde voortdurend: laag tropisch bushland afgewisseld met moerassen, beboste hellingen, weelderige groene rivierdalen en af en toe een fikse, zogenaamde gecontroleerde bosbrand waarvan je de warmte tot in de cabine van de auto kon voelen, om het nog spannender te maken.
Er waren prachtige vogels die midden in de rivieren bleven staan waar wij doorheen moesten. Ook zagen we op veel plaatsen groepjes van twee of drie koeien door de lage bebossing lopen die met enige regelmaat overging in een ruig grasland. En dat klopte ook want in dit gebied zijn supergrote cattle stations.

We waren halverwege toen we werden aangehouden door een man die vanuit de richting Kalumburu kwam aanrijden. Hij vroeg ons of wij iemand hadden gezien die met panne langs de kant van de weg stond. Hij vertelde dat een vriend van hem gebeld had met de mededeling dat hij de as van zijn auto gebroken had. We vertelden dat we bij de afslag naar Mitchell Falls op de weg waren gekomen en niemand met pech hadden gezien. Hij zuchtte diep en zei: "Nou dan moet ik nog een heel stuk verder dan ik gedacht had". Hij vertelde ons ook dat de laatste 40 km van de weg naar Kalumburu er wel erg beroerd aan toe waren, eigenlijk kon je dat met goed fatsoen geen weg noemen.

Zo hebben we deze barre, maar ook spannende tocht ervaren, precies zoals deze man het ons had geschetst. Soms was het wegdek praktisch helemaal weggespoeld zodat het meer weg had van een droge bedding van een snelstromende rivier. Soms moest Rieky balanceren met aan beide zijde een wiel op een harde lemen wal met daartussen een diep gat en daarnaast een gat gevuld met grote rivierkeien.
We leken wel stuntrijders, maar altijd liepen dat soort stunts voor ons net goed af. Dus we haalden het en dat gaf een goed gevoel. 4 uur hadden we er over gereden toen we welkom werden geheten door het bord Kalumburu, maar onder dat welkomstbord stond wel dat we een machtigingsbrief (een permit) nodig hadden om het gebied te mogen betreden en dat we geen alcohol mee mochten nemen. Dit is Aboriginal territorium, een van de gebieden die aan de Aboriginals zijn teruggegeven door de Australische regering en waar zij een zekere vorm van zelfbestuur hebben, vandaar.

Bij dit bord hielden we halt en we wachten daar op Mirjam en Coen die achter ons aan hadden gereden. Er was een blanke man aan het werk aan een gebouw waarvan later bleek dat het een nieuw politiebureau zou worden. Bij deze man informeerde ik hoe we aan een permit konden komen op zondag en waar we de campsite konden vinden.
Hij gaf ons het advies om gewoon naar de campsite van de Kalumburu Mission te rijden en morgen een permit af te halen voor we verder het gebied in trokken en hij wees ons aan dat even verderop onder de bomen met die donkerrode bloesem de campsite was. Over het alcoholverbod zei hij dat we ons daar niet zo veel van moesten aantrekken, alcohol was wel verboden, maar de paters van de mission schonken zelf alcohol in het café naast de campsite. Dit was volgens hem een "Catch-22 situation".

We installeerden ons op het kampeerterreintje van de mission onder weelderige palmen en zagen daar een stel Australiërs terug die we al meerdere malen onderweg waren tegengekomen. We wisselden wat ervaringen uit en gingen daarna heerlijk douchen. Daar waren we echt aan toe, de laatste douchebeurt hadden we gehad op de campsite van Drysdale station. Van de mission kregen we niemand te zien, behalve een van de paters die steeds maar op een neer liep.


Hypocriet zootje
Met zijn viertjes maakten we plannen om de komende dagen verder naar de noordelijke stranden te gaan om daar een of twee dagen te kamperen. We hadden ons vergewist dat we op de vroege maandagmorgen in de winkel van de mission inkopen konden doen en allebei onze tanks konden volgooien.

Maar op die maandagochtend hadden de paters de regels ineens veranderd. Alles was gesloten tot 2 uur namiddag met als reden dat ze net voor het weekend nieuwe voorraden hadden binnengekregen. Men had daarmee de handen vol, gebruikten ze als excuus op een papiertje dat was aangeplakt over de officiële openingstijden. Zo druk, dat op hetzelfde moment een van de missiepaters heel druk was met het wassen en onder hoge druk schoonspuiten van zijn 4WD. Hoezo druk, vroegen we ons af?
Ja, dit was belachelijk temeer omdat in alle informatie stond dat de mission op maandagmorgen open was, zelfs toen we aankwamen stond dat nog op het raam van de winkel aangegeven.

Als we al iemand zagen, kregen we amper antwoord op onze vragen over het hoe en waarom van deze maatregel die ons belette verder te gaan, maar toen dan ook een van de medewerkers van de mission campinggeld kwam ophalen, lieten we duidelijk blijken dat we dit geen stijl vonden. We konden niet eens verder als we nu niet konden tanken. Dat we geen inkopen konden doen was nog tot daar aan toe, maar dat men de diesel- en benzinepomp niet aan wilde zetten was volgens ons het toppunt.
Maar het kon nog erger. De katholieke Pool, die aan zijn Engels accent te horen nog niet erg lang in Australië was, merkte wel dat Coen en ik zeer verbolgen waren en het er niet bij wilden laten zitten. Hij had uitdrukkelijke orders, zei hij. En hij beloofde naar binnen te gaan om te overleggen met de staf. Toen kwam hij buiten met de boodschap dat de winkel beslist niet open ging voor 2 uur namiddag, maar dat hij wel de pomp open mocht maken als we ieder daarvoor 30 Aus Dollars extra wilden betalen. Coen en ik ontploften zowat van kwaadheid en dat lieten we merken ook. Er vielen een paar harde woorden, maar uiteindelijk hielp dat wel. We konden toch tanken zonder dat we extra moesten betalen.
Toen we het terrein afreden stond er een bord met daarop: "Thank you for supporting the Kalumburu Mission. May The Lord Bless You." Dat laatste zinnetje deed voor ons de deur dicht.


Wat doen jagers en verzamelaars in een supermarkt
Toen we Kalumburu verder inreden om een permit te kopen bij de Kalumburu Aboriginal Corporation zagen we dat er naast dat kantoortje een extra grote supermarkt was. Niemand van de mission had ons verteld, dat we op nog geen 300 meter van de mission vandaan snel en voordelig onze boodschappen konden doen. Wat een hypocriet zootje was het op die Kalumburu Mission. We konden er niet over uit.

In de supermarkt was het een gezellige drukte van Aboriginals van alle leeftijden, vooral veel jongeren en kinderen. Maar wat opviel was dat de volwassen mensen hier dan wel niet aan de alcohol verslaafd waren, maar dat ze erg blasé en gelaten reageerden. Duidelijk werd ons dat deze Aboriginals geen doel meer in hun leven hebben. Ze trekken hun uitkering uit de ATM (een Australische flappentap) en kopen hun levensmiddelen nu in de supermarkt terwijl ze vroeger, zonder geld, maar met veel kennis van de natuur, alles wat ze nodig hadden dat eetbaar was en als geneesmiddel gebruikt kon worden, in het bos konden vinden. De mannen vulden dat aan met wat de jacht hen opleverde.
De geest, de kracht en het eigene van dit volk bleef bewaard zolang het leefde binnen hun tribale verband maar dat is hier helemaal verdampt door het "goedbedoelde werk" van missionarissen en door de Australische overheid met haar integratiewetten. Wetten die intussen gelukkig zijn afgeschaft. Wat er is overgebleven van dit trotse volk, die een rijke traditie had met eigen wetten en leefden van de jacht en het verzamelen, is verworden tot een gebroken volk.

Buiten de supermarkt wordt de levendigheid van deze gemeenschap vooral veroorzaakt door spelende en rennende kinderen. Daaromheen zitten of staan mensen te praten. Ik vraag toestemming aan twee "oude mannen" of ik een portret van hen mag maken. En dat vonden ze goed.


Blanke stranden, azuurblauwe zee en stoere vissers
Uiteindelijk konden we verder, volle tanks, volle koelkast en voorlopig genoeg te eten.
De dust roads boven Kalumburu zijn aanmerkelijk beter. Maar dat zijn ze natuurlijk al gauw als je dat laatste stukje naar Kalumburu in herinnering neemt.
De eerste afslag ging naar een strand op ongeveer 17km vanaf Kalumburu. Langs de weg tegen een boom stond een rond bord met daarop de aanduiding geschilderd Marra Garra Beach en daaronder een hand die naar links wees. We namen de afslag en parkeerden onze vervoermiddelen onder een grote boab-boom, de enige schaduwplek die hier te vinden was. We staan hoog boven het strand, de azuurblauwe kalme zee strekt zich uit tot aan de einder met hier en daar rotsen die in lange rijen boven het water uitsteken en in de verte een landtong die ver de zee in steekt.
We lopen naar beneden, het lijkt er op dat het strand gebruikt wordt als aanlandingsplaats voor de bevoorrading van Kalumburu. Hier en daar slingeren pallets, oude olievaten, grote vellen nieuw plastic en er ligt ook veel rommel zoals lege colaflessen e.d. Verder ligt er een grote roeiboot die losjes op het strand is getrokken. Voor de rest is hier helemaal niets, alleen maar stilte.

We reden over de verlaten wegen naar het volgende strand, met een campsite, die aangegeven stond op onze kaart. Bij de volgende afslag hadden we twee keuzes. Op de amateuristisch gemaakte borden vragen twee campsites om aandacht. Mc Gowan Island Beach prees zich aan met "Toilets, Showers, Fresh Water, Good fishing, All Welcome To Stay Or Visit" en wilde ons links laten afslaan. Op het andere stond "Honeymoon Bay, The Place To Stay" waaraan een grote zwarte ster was toegevoegd, en wenkte ons in noordelijke richting verder te rijden. We besloten om eerst maar eens op beide campsites een kijkje te gaan nemen alvorens te beslissen waar we twee nachten zouden blijven staan. We namen om te beginnen de aflag naar Mc Gowan Island Beach. Toen we in een bocht van de weg de zee konden zien beseften we pas hoe hoog dit land boven de zeespiegel lag. De steenrode weg daalde met veel bochten snel af naar de campsite aan het strand en lag bezaaid met grote en kleine stenen.
Het eerste wat we zagen toen we het strand opliepen waren een stel vissers die op een grote geïmproviseerde tafel hun vangst stonden open te snijden en schoon te maken. De gefileerde vis deden ze in vrieskisten. Afgesneden koppen van zeer grote vissen keken ons aan vanaf het tafelblad.
Onze tweede ervaring was er een van verwoesting. Het campsite office en de kantine waren door een typhoon volkomen gereduceerd tot een skelet. Boze tongen beweerden later dat de rivaliserende Aboriginals van Honeymoon Bay al een eerste aanzet hadden gemaakt om het gebouwtje in puin te veranderen, maar het was de typhoon die het werk had afgemaakt. Later vonden we in de bush op vele tientallen meters van deze plek het golfplaten dak terug. De campingbaas was niet aanwezig, hij was met een stelletje vissers de zee op en kon ons dus niet de ware toedracht vertellen. Om te kamperen leek het ons een prima stek, maar we gingen volgens afspraak toch eerst nog even een kijkje nemen bij de campsite aan Honeymoon Bay.
Dus weer terug omhoog, en bij de afslag sloegen we af in noordelijke richting. Het wegdek was hier van fijn en zeer fijn los zand dat aan weerzijde een stukje omhoog liep tot aan het hoger gelegen bushland. We moesten hier extra oppassen dat de wielen van de camper zich niet zouden gaan ingraven. Maar we kwamen zonder problemen aan op de campsite van Honeymoon Bay. Ook hier stonden we weer hoog boven de zeespiegel, met diep onder ons de zee met zijn prachtig witte stranden. Met aan de horizon een rookpluim van een brand die ergens achter de baai in de bushlands woedde.
Het campsite office was erg armoedig, maar niet gehavend zoals op Mc Gowan Island Beach. Deze campsite werd gedreven door twee Aboriginal vrouwen, de ene lijkt heel oud en de andere was jong en zeer sportief gekleed. We keken wat rond, maar we besloten toch terug te gaan naar Mc Gowan Island Beach, vooral omdat het gerucht ging dat hier veel zandvlooien zouden zitten.

Terug op Mc Gowan Island Beach gingen Mirjam en Coen op het vrijwel verlaten strand hun tentje opzetten. De plaats die ze kozen lag onder een armzalig kaal boompje en langs een rotskam die doorliep vanaf de hoge wal tot ver in zee.
Wij zochten een plaatsje op de hoge wal vlak tegen het strand. Een plaats die enigszins beschut is door de bomen die er staan. Intussen was het al laat in de middag geworden en bedachten we dat een douche wel lekker zou zijn. We namen in gedachten de aanbeveling op het bord bij de afslag "Toilets, Showers" (let op de meervoudsvorm). Nou, dat viel erg tegen want er is maar één gecombineerde wastafel, toilet en douche in het huis van de campingbaas. Als die bezet was moest je wachten tot je aan de beurt was. Dat viel dus erg tegen.
En zwemmen was ook geen optie omdat er een grote haai in de baai was gesignaleerd en ook nogal wat agressieve krokodillen, maar daar hebben we nooit een spoor van gezien.


Verse vis en verse oesters
Mirjam en Coen hadden drie rode verse visjes (met kop, staart en graten) gekregen van een van de vissers en zij kwamen daarmee bij ons aanzetten. Of wij die maar even wilden klaar maken. We beloofden een poging te doen. Eigenlijk moet je dit soort vissen klaar maken op een barbecue, maar die hadden we niet. Met de primitieve middelen die we wel tot onze beschikking hadden probeerden we de harde schubben van de vis te verwijderen, maar dat lukte maar half. Daarna bakten we ze in de grote koekenpan. Het resultaat was niet erg geslaagd, het waren vooral de vieze gezichten van Coen en Mirjam die boekdelen spraken.
Voortaan maar geen vis meer aannemen, vonden wij.

De volgende dag gingen we onafhankelijk op pad, wij zouden goed beschermd tegen de zon een heel eind in noordelijke richting de kustlijn volgen totdat we niet meer verder konden. Het strand hield al snel op strand te zijn, en veranderde in een opeen stapeling van rotsblokken en ging langzaam over in een grote rotsplaat. De rotsplaat wisselde voortdurend van kleur, van ivoorwit tot omberzwart en alle kleuren rood en oker die daar tussenin zitten. Het diepblauwe oppervlak van de zee rimpelde zich bescheiden door een zachte bries. Een bries die voor enige verkoeling zorgde. Aan de horizon zagen we verre eilanden, of misschien waren het wel landtongen, en rijen bomen die boven het water leken te zweven. De rots waarover we liepen was geërodeerd tot prachtige structuren, waar elke kunstenaar jaloers op zou zijn. Ook vonden we hoger op de rotsen drooggevallen en door de natuur gevormde, ondiepe schaalvormige holtes, zoutpannen met daarin hagelwitte zoutkristallen. We liepen door tot we aan een mangrovebos kwamen, een bos dat met zijn voeten in het zilte water stond. Gevaarlijk terrein, dachten wij, typisch het leefgebied van krokodillen, en dus maakten we rechtsomkeert.

Een van die vissers had mij bij de terugkomst van onze wandeling verteld dat er erg veel vis zat in deze wateren. Hij kwam hier ieder jaar voor 4 à 5 weken en hij liet mij zijn foto's zien. Hij en zijn vrouw met een vis die zij gevangen hadden. Een vis die even lang was als zij zelf hoog, en zo stond het hele album vol met afgewisseld "mannetje met grote vis" en "vrouwtje met grote vis". Echt vele tientallen foto's van vissen, die nooit kleiner waren dan één meter vijftig, maar wel vaak veel groter.

Intussen waren Mirjam en Coen over de rotskam geklommen naar de baai die daar achter lag. Ze vertelden ons later, toen we heerlijk in de schaduw van onze camper zaten te lezen, dat ze een dozijn oesters van de rotswand hadden gestoken, maar ze wisten eigenlijk niet wat ze er mee aan moesten. Opeten zeiden wij, maar .... uiteindelijk hebben ze die oesters maar weggegeven aan een van de vissers. Ze vonden het toch eng om ze te eten. Terwijl ze dat aan ons stonden te vertellen kwam er een nieuwe gast. Hij stopte en bepaalde samen met zijn eega waar hij wilde gaan staan. Hij startte dus zijn auto weer en reed zich onmiddellijk met spinnende wielen muurvast in het "diepzand" tot aan zijn assen. Mirjam, met al haar ervaring die ze heeft opgedaan in het jaar dat zij met Coen door Afrika trok, wilde de man wel advies geven maar van haar nam hij dat niet aan. Dus bleef hij aanmodderen, tot een paar van die stoere vissers hem uitgroeven en hem uit het "diepzand" verloste. Daarna kon zijn vrouw beginnen met het opbouwen van de keuken en de slaaptent die uit de aanhanger naar buiten klapten.

De avond viel en de zon kleurde de zee en de hemel afwisselend rood, oranje en paars, tot het donker was. Coen en Mirjam hadden een hoop brandhout verzameld, dus we konden de avond ook hier besluiten met een groot vuur. Zo namen we afscheid van Mc Gowan Island Beach. Morgen zouden we weer verder trekken.

Met
dank aan Rieky en Johan Hermsen voor het kritisch lezen van de teksten, het aandragen van tekstsuggesties en het aanbrengen van tekstcorrecties

Ad van Tiel, Landsmeer, 8 september 2007

Niets uit bovenstaande tekst mag worden gepubliceerd zonder
voorafgaande toestemming van de auteurs.
Hetzelfde geldt voor alle afbeeldingen en foto's.

Rieky & Ad van Tiel © 2007